Lezersrecensie
Hoe zwart is jouw ziel?
“Ik weet niet precies waar ik zal beginnen. Het is moeilijk. Al die tijd die is verstreken valt niet meer in woorden te vatten, en de gezichten, glimlachen en wonden evenmin. Maar toch moet ik het proberen te vertellen. Vertellen wat ik al twintig jaar op het hart heb. Berouw en grote vragen.”
Zo begint dit boek, met de ik-verteller. Hij stelt zich niet voor, noch preciseert hij waar het verhaal zich afspeelt, ergens in een Frans dorp, niet ver van de stad V.
Het is december 1917, ‘Siberisch koud’ en op de oever van het dorpskanaal ligt het verkleumde lijkje van de 10-jarige Belle, ze is gewurgd. De vadsige, onsympathieke rechter Mierck wordt erbij gehaald, hij is niet erg onder de indruk van het drama, lijkt eerder blij met een ‘echte’ moord van doen te hebben. Komen er nog bij: de wetsdokter en de procureur Destinat. Die laatste woont in het kasteel vlak bij de moordscene, onze verteller suggereert doorheen het verhaal dat hij minstens verdacht is, maar dit wordt door de hoge heren weggewimpeld. Eigen sociale klasse primeert, de rangorde mag niet verstoord worden.
Het wordt geen rechtlijnig verhaal, is zeker ook geen who-dunnit, maar we krijgen in rustige uitweidingen een totaal portret van deze wat geïsoleerde gemeenschap midden in oorlogstijd. De kanonnen van de heftige gevechten zijn continu te horen op de achtergrond, hele colonnes jonge rekruten passeren, komen terug in lijkkisten of als zwaargehavenden. Er heerst een gêne in het dorp waar vele arbeiders ontsnappen aan een patriottische oproep: ze werken in de fabriek. Voor het Vaderland. Op een dag komt een jong meisje zich aanbieden als onderwijzeres in de dorpsschool. Ze heet Lysia, is knap, vrolijk, er is een schijn van romance met de stugge, sombere procureur. Maar ook zij heeft haar geheim. Terwijl de moord door de autoriteiten wordt ‘opgelost’, beleeft ook de verteller zijn persoonlijke drama, Hij blijft zijn leven lang getormenteerd door de ‘Zaak’, tot hij besluit dit boek te schrijven.
Philippe Claudel schreef dit boek in 2003, het werd onmiddellijk zeer positief onthaald: Prix Renaudot, Prijs van de ‘lectrices de Elle’, beste boek van het jaar volgens de boekverkopers. Later kwam de internationale renommée, plus nog een verfilming. Ik kan hier alleen maar aan toevoegen dat ik ‘blind’ instapte en direct werd meegenomen door de rustige, melancholieke stijl, de sterke sociale klasse schilderingen, de steeds onderhuidse spanning van de karakters die ‘zweven tussen monsters en engelen’. Kortom, les "âmes grises".
“Ik heb nog nooit een schoft of een heilige gezien. De dingen zijn nooit helemaal zwart of helemaal wit, alles is grijs. Mensen en hun zielen ook… Je ziel is grijs, behoorlijk grijs, zoals die van ons allemaal… ?"
Het zijn de woorden van Joséphine, een outcast, aan onze verteller. Een wit persoon, met een zwartdonkere kant.
Het is de sterkte van de auteur om met zijn verhaal boven de setting uit te stijgen: door de plaats en personen te 'anonimiseren', maakt hij er een universeel verhaal van. Oorlog en misdaad zijn van alle tijden, bedrog en schuld zijn inherente menselijke trekken.
In korte zinnen, bedrieglijk eenvoudige woordkeuze, bijna poëtische beschrijvingen, worden we ondergedompeld in deze gemeenschap, we voelen hun angsten, ruiken hun stinkende wonden, lijden met ze mee. We zijn IN het verhaal, maken deel uit van hun dilemma’s, veroordelen scherp maar… het besef komt snel: hoe zouden wij reageren, kortom hoe wit is onze ziel?
Zo schrijven…
Klasse!