Advertentie

De Libanese Braziliaan Raduan Nasser won in 2016 voor zijn oeuvre de zeer prestigieuze Premio Luis Camoes, zo ongeveer dé literaire oeuvreprijs in het Portugese taalgebied, terwijl dat oeuvre maar klein is: één roman ( "Bijbelse landbouw"), één novelle ("Een glas woede"), een paar verhalen en een essay, en that's it. Maar ik snap het wel, want die roman vind ik van uitzonderlijke klasse. De novelle lees ik er nu meteen achteraan, en daarna ga ik snakkend hopen dat meestervertaler Harrie Lemmens ook de rest van dit kleine prachtoeuvre weer in net zulk formidabel Nederlands vertaalt.

"Bijbelse landbouw" is een eigenzinnige en bloedige variant op de Bijbelse parabel van de verloren zoon. Hoofdpersoon is de zeventienjarige André, die zijn ouderlijke milieu is ontvlucht, zo te zien vooral omdat hij de door zijn vader uitgedragen oudtestamentische wijsheden weliswaar zeer bewondert, maar ook erg wurgend en verstikkend vind en naar ruimere ervaringshorizonten verlangt. In het eerste deel haalt zijn oudere broer Pedro hem terug, wat vooral leidt tot delirerend geformuleerde herinneringen van André en al even delirerende reflecties op zijn vlucht, het ouderlijk plattelandsmilieu dat hij liefheeft en haat, de verboden liefde voor zin duivelachtig en goddelijk prachtige zuster Ana. En ook de dilemma's waarmee hij worstelt: zijn verstikkingsgevoel en mateloze bewondering voor de schoonheid van zijn vaders taal en de wijsheid van zijn uit Koran en Bijbel opgetrokken wereldbeeld, zijn mateloze vrijheidsdrang en zijn mateloze verlangen om met de orde van zijn vader te breken, de euforie van die breuk, en tegelijk de wanhoop omdat hij na die breuk geen anker meer heeft in deze wereld. In het tweede deel gaat André daadwerkelijk terug naar zijn ouderlijk huis, maar de dialogische spanningen met zijn vader worden daardoor tot een crescendo opgevoerd, en zijn verboden liefde voor Ana - alsook haar duivelinnendans tijdens het feest waarin de terugkeer van de verloren zoon als een nieuw soort Pasen wordt gevierd- eindigt op even spectaculair- opzwepende als tragische wijze in een gewelddadig bloedoffer. Om niet te zeggen: in chaos, bloed en moord. De Bijbelse parabel van de verloren zoon eindigt in verzoening en de bekrachtiging van de door God gegeven orde, maar Raduan Nassars versie eindigt in het tegendeel. Ook al krijgt de vader in het laatste hoofdstuk op ontroerende wijze nog de gelegenheid tot een laatste, wijze en wonderschone uitspraak.

Ik ben een totale agnost, en volkomen niet- Bijbelvast. Maar ik vond dit boek formidabel. Dat kwam vooral door de echt hallucinatoire pracht van Raduan Nassars taal: een taal vol Bijbelse beelden en Bijbelse schoonheid, die tegelijk ook bol staat van André's delirerende wanhoop, woede en tomeloze vrijheidsdrang. En dat in zinnen die soms wel bladzijden lang doorgaan, zonder punten maar met veel komma's en puntkomma's, wat het koortsachtige en bijna obsederend- bezeten karakter van dit proza nog vergroot. Vooral de zinnen waarin André's woede of zijn verlangen voorop staan zijn bovendien gevuld met barokke associaties en intense surrealistische visioenen: soms waande ik mij in het hallucinatoire "Les chants de Maldoror" van Lautréamont of in de ongelofelijk intense prozagedichten van René Char. De stijl is soms archaïsch-gedragen zoals ook de Bijbel of de Koran dat zijn, soms agressief, soms poëtisch en soms hallucinerend. Maar soms ook dat alles tegelijk, of snel wisselend van toon, en de eindeloze zinnen zijn altijd ongelofelijk meeslepend.

Hoofdstuk 1 begint al denderend: "De ogen op het plafond gericht, de naaktheid in de kamer; roze, blauw of violet, de kamer is onschendbaar; de kamer is individueel, is een wereld, een kathedraal waar in de tussenpozen van de angst de witte roos van de wanhoop van een ruwe stengel in de palm van de hand wordt geplukt, want tot de dingen die de kamer gewijd maakt, behoren in de eerste plaats die van het lichaam; ik lag op de vloer van mijn kamer in een oud pension in het binnenland toen mijn broer me terug kwam halen; mijn hand, die kort tevoren nog druk en stug had doorgetast, streek traag over de natte huid van mijn lijf, mijn vingertoppen streelden vol gif de ontluikende donsharen op mijn nog warme borst; mijn hoofd rolde verdwaasd heen en weer terwijl mijn haar in dikke golven over de welvingen van mijn voorhoofd gleed: […]". André noemt zijn kamer "onschendbaar", zelfs een "kathedraal": alsof hij luid schreeuwend het recht opeist ZIJN persoonlijke wereld te hebben los van zijn patriarchale milieu, en ZIJN kathedraal die het totaal tegenovergestelde is van de Christelijke kathedraal zijnes Vaders. Ook al omdat niet het Goddelijk- verhevene André's kathedraal "gewijd" maakt, maar juist André's lichaam. En die gewijde eredienst aan het lichaam, zo besef je als je verder bent in het boek, is doordesemd van dronkenschap en masturbatoire fantasie. Een fantasie die bewust alle taboes overstijgt, niet alleen omdat masturbatie niet tot de goede Christelijke gewoonten behoort, maar ook en vooral omdat die fantasie hier en in andere passages gevoed wordt door de begeerte naar zijn zus Ana. Een begeerte overigens die in sommige passages gepaard gaat met gloedvolle religieuze verering, in andere met meeslepende beschrijvingen van Ana's verheven schoonheid in termen die aan het Hooglied herinneren. Terwijl weer andere passages vol staan met Satanische bezetenheid, bijvoorbeeld de ongelofelijk opzwepende beschrijving van de steeds uitzinniger dansende Ana, die als "één brok wilde elegantie" rond wervelt en net als André "de duivel in haar lijf droeg".

Tegelijk bewondert André de patriarchale orde met zijn Christelijke waarden, ondanks dat hij snakt om daaraan te ontsnappen. Bewonderend citeert bij bijvoorbeeld de volgende prachtige parabel van zijn vader over Tijd en de waarde van Geduld: "De tijd is de grootste schat waarover een mens kan beschikken, als alomtegenwoordig zit de tijd in alles, bijvoorbeeld in deze oude tafel: eerst bestond er geschikte grond, daarna bestond er een van rustige jaren vervaardigde eeuwenoude boom, en ten slotte bestond er een harde, knoestige plank, dag in dag uit bewerkt door de handen van een ambachtsman; (…) rijk is alleen hij die nederig en ootmoedig geleerd heeft met de tijd om te gaan, die liefdevol te benaderen, zonder zijn ordening te weerspreken of zich te verzetten tegen zijn baan, zijn verloop niet te tergen en attent te zijn op zijn stroom, hem juist met wijsheid te prijzen om zijn gunsten te ontvangen en niet zijn toorn". Een prachtig pleidooi voor evenwichtigheid, het houden van maat, het geloof in de goedgunstigheid van de natuur dat gepaard gaat met zich schikken naar de natuur, het geloof in gelovige afwachting en in wijze passiviteit vol vertrouwen. Een prachtig geformuleerd pleidooi kortom voor de traditie, de orde, het onveranderlijke. Maar daar tegenover staat het minstens zo prachtig geformuleerde en zeer intense verlangen van André, Ana en de jonge Lula naar de verandering, het ongewisse, de nog onverkende gevaarlijke uithoeken van de ervaring: "Ik wil ook de plekken leren kennen die het strengst verboden zijn, de plekken waar boeven bijeen komen, waar alleen voor geld wordt gespeeld, waar veel wijn wordt gedronken, waar alle mogelijke zonden worden bedreven, waar misdadigers hun plannen smeden; ik zoek het gezelschap van vrouwen, wil bekend worden in de bordelen en in de stegen waar de bedelaars slapen, ik wil andere dingen doen, ruig omgaan met mijn lijf, emoties kennen die ik nooit heb gehad; […]".

De waarden en de schoonheid van orde en traditie worden in "Bijbelse landbouw" prachtig bezongen. Maar het verlangen naar chaos ook. In mijn beleving wint die chaos het in "Bijbelse landbouw" uiteindelijk. André doet ten eerste steeds eloquentere uitspraken over de kiem van wanorde die schuilgaat in elke orde: uitspraken die volgens mij bevestigd worden door het uiteenvallen van zijn ouderlijk huis. Bovendien bezingt hij steeds eloquenter en intenser De Boze, die tegen God in opstand kwam: "hij, de stuwkracht van alle verandering, die ons met zijn fluisteren tegen de stroom in duwt, onze trommelvliezen bekrast met zijn ruw hete adem, ons verleidt tegen de hachelijke stevigheid van de orde". Ook al verliest hij daardoor zijn wortels, zijn houvast, zijn ankerpunten. Ook al voelt hij zich daardoor een getekende en een verworpene zonder duidelijke bestemming. Maar dat is de prijs voor de ongehoorde ervaringsintensiteit waarnaar hij snakt, hoezeer hij die intensiteit tegelijk ook vreest.

Ik bewonder de compromisloze zoektocht van André naar ervaringsintensiteiten voorbij de grenzen van onze ratio en onze taboes. Ik bewonder nog meer de formidabele intensiteit van Raduan Nassars stijl, die deze zoektocht op voor mij opzwepende wijze invoelbaar maakt. Terwijl tegelijk ook de patriarchale orde en het op tradities geschraagde geduld schitterend op papier zijn gezet. Als brave burgerman herken ik wel de aarzeling tussen het verlangen naar ordelijke wijsheid en het verlangen naar intensiteit die met alle orde en wijsheid breekt. Maar die aarzeling voel ik op een burgermannelijk gedempte wijze. Bij het lezen van "Bijbelse landbouw" leefde ik echter intens met deze aarzeling mee, en voelde ik vooral weer even de gesmoorde Luciferische opstandeling in mijn burgermannenborst. En vooral daarom heb ik erg van dit boek genoten.

Reacties op: Delirisch en bijbels proza over de innerlijke strijd tussen orde en chaos

2
Bijbelse landbouw - Raduan Nassar
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker