Advertentie

Jubelend en nagenoeg euforisch herlas ik "De tijd hervonden", het bedwelmende en oogverblindend prachtige sluitstuk van "Op zoek naar de verloren tijd". De ontgoocheling die in m.n. "De voortvluchtige" zo prangend aanwezig was wordt nog verder opgevoerd. Dat gebeurt door de werkelijk ijzingwekkende en zelfs ronduit apocalyptische passages over de vernietigende doorwerking van WO I, die het idyllische Combray van Marcels geïdealiseerde jeugd in de as legt en die ook Parijs transformeert in een surrealistisch oord vol doodsdreiging en nachtmerrie-achtige perversies, maar vooral door de nog ijzingwekkender passages over de vernietigende werking van de tijd. Want tijd, zo ondervindt Marcel, als hij na jaren te hebben doorgebracht in een kuuroord zijn veel ouder geworden vrienden en kennissen weer ziet, is verval, teloorgang, meegesleept worden door de onontkoombare dood. En tijd is ook onontkoombare verandering, waarin alles wat van waarde was verandert in zijn totale tegendeel en waarin elke vaste waarheid, door tot stof en as te vergaan, zijn volkomen illusoire karakter openbaart.

Tegelijk is "De tijd hervonden" echter ook het boek waarin Marcel met extatische jubel zijn roeping als schrijver ontdekt, en de verlossende kracht ervaart van grote kunst. Die kracht is vooral het blootleggen, ontcijferen, door verbeeldingskracht onthullen van de verborgen rijkdom van alle vergeten ervaringen die ergens diep verborgen sluimeren in het eigen innerlijk. Die rijkdom, zo besluit Marcel, zal hij gaan exploreren, door zich geheel af te zonderen van de wereld en explorerend af te dalen in de duistere en mysterieuze bronaders van zijn nog onontgonnen ik. Dat is een herscheppende ontdekkingstocht, die aan de vergeten ervaringen een euforiserende schittering meegeeft die men is vergeten, en zich zelfs nooit bewust is geweest, omdat ervaringen in het leven van alledag altijd door conventies en gewoontes worden versimpeld. Al die tot schittering gebrachte ervaringen vormen dan samen een kathedraal van woorden, zo beseft Marcel, en exact die kathedraal wil hij nu gaan bouwen. Zijn leven, inclusief alle leed en pijn en teloorgang door de slopershamer van de tijd, wil hij omzetten in literatuur, vanuit de overtuiging dat juist literatuur door zijn scheppingskracht een ongekende intensivering is van zijn leven. Kortom: aan het eind van het laatste deel van "Op zoek naar de verloren tijd", ontdekt de ik- figuur de roeping die ook de motor is van "Op zoek naar de verloren tijd".

De wijze waarop Marcel die roeping ontdekt vind ik ook bij herlezing weer overweldigend prachtig. Vooral omdat die ontdekking niet op droge en theoretische wijze tot stand komt, maar door werkelijk geniaal beschreven visioenen die vervolgens op ongelofelijk scherpzinnige wijze worden geanalyseerd. Van groot belang zijn vooral de "onwillekeurige herinneringen" , die ook in "Swanns kant op" al werden beschreven maar toen nog niet door de verteller werden begrepen. In "Swanns kant op" proefde de ik- figuur een in thee gedoopte Madeleine, en door die smaak en geur komt tot zijn even euforiserende als niet- begrijpende verbazing ineens de hele vergeten wereld van zijn prille jeugd tot leven. Vergeten myriaden van rijkgeschakeerde facetten rijgen zich tot een wereld aaneen, een verborgen innerlijke wereld die tot Marcels verbijstering ineens opstijgt uit een kopje thee. In "De tijd hervonden" heeft hij nog enkele soortgelijke ervaringen. Eerst de botsing met twee ongelijke tegels, die hem ineens een soortgelijke botsing met ongelijke tegels te binnen brengt op het San Marco- plein in Venetië, en die ook alle andere gewaarwordingen die hij die dag in Venetië had met een ongelofelijke levendigheid weer oproept, levendiger zelfs dan dat die ervaringen in hun oorspronkelijke gedaante waren. Vervolgens veegt hij zijn mond af met een servet, en roept die tactiele sensatie weer de hele wereld van Balbec op die zo prachtig centraal stond in "In de schaduw van de meisjes in bloei". Dat servet is namelijk "precies van het stijfgesteven soort doek waar ik zo'n moeite mee had gehad om me af te drogen, voor het raam, de eerste dag van mijn komst in Balbec; en nu, bij die boekenkast in het Guermantes- hotel, ontvouwde het, gespreid in zijn vlakken en plooien, het gevederte van een oceaan, groen en blauw als een pauwenstaart. En ik genoot niet alleen van de kleuren, maar van een heel moment in mijn leven dat ze naar voren haalde, dat vermoedelijk naar ze was uitgegaan, waar ik door vermoeidheid of treurnis misschien in belet was te genieten in Balbec, en dat mij nu, ontdaan van wat er onvolmaakt is in de uiterlijke waarneming, puur en onstoffelijk, deed zwellen in blijdschap".

De werkelijkheid is bij Proust geen objectief, maar een subjectief fenomeen: we kennen niet de wereld zelf, maar alleen de wereld zoals die vorm aanneemt in onze ervaring. En de volle rijkdom van die innerlijke en subjectieve wereld wordt juist in dit soort "onwillekeurige herinneringen" zo voelbaar omdat deze herinneringen zo toevallig, associatief en los van ons schematiserende verstand ontstaan. De Balbec- wereld die via een tactiele sensatie wordt opgeroepen was grotendeels vergeten, was nauwelijks door het schematiserende verstand opgemerkt en was al helemaal niet opgeslagen in ons schematiserende geheugen. Hij onttrok zich dus aan de door gewoonte en sleur gedicteerde waarneming van de werkelijkheid en de ervaring. Door de onwillekeurige herinnering komt hij echter boven, juist omdat die herinnering onwillekeurig is: geen onderdeel van gewoonte en sleur, maar een interruptie daarvan; geen onderdeel van ons conventionele verstand maar een kortsluiting die zich aan dat verstand onttrekt. Een de ratio overstijgende kortsluiting, die het "toen" voor even enorm voelbaar maakt in het "nu", voelbaarder zelfs voor het bewustzijn dan dat het "toen" was. Een kortsluiting die dus het verleden meer tegenwoordig maakt dan het ooit is geweest, daardoor de tijd overstijgt, een essentie van de innerlijke ervaring onthult die anders verborgen was gebleven, en die alle trekken heeft van een mystieke ervaring. Daarom wordt, volgens mij, de uit de aanraking met het servet opstijgende wereld "puur en onstoffelijk" genoemd, en daarom wordt bij de andere visioenen gesproken van een "bedwelmend azuur" ( wat associaties met het bovenzinnelijke en Goddelijke oproept) of een "verblindend, onscherp visioen". Volgens mij is steeds sprake van een ervaring op de rand van het waarneembare, op de rand van wat begrepen en verwoord kan worden, en precies dat maakt die ervaring zo overweldigend. En dat overweldigende karakter bewaart hij door in de beschrijving van de visioenen voor uiterst onconventionele beelden te kiezen: bijvoorbeeld door de herinnerde zee te evoceren als "het gevederte van een oceaan, groen en blauw als een pauwenstaart".

Zegt Proust hiermee nu dat zijn hele romancyclus is opgetrokken uit zulke "onwillekeurige herinneringen"? Dat geloof ik niet: hij zegt immers ook dat deze onwillekeurige herinneringen uiterst zeldzaam zijn, en ondanks hun enorme intensiteit ook heel kort duren. Maar in mijn beleving functioneren deze extatische visioenen wel als een essentiële eye-opener: ze maken voelbaar dat er in onze binnenwereld vele rijkdommen van veelvoudigheid schuilgaan die wij normaal gesproken niet waarnemen. Precies die veelvoudige werelden wil Marcel (de ik-figuur) naar boven halen, en in al zijn geheimzinnigheid articuleren via literatuur. Wat dan geen realistische literatuur is, zoals ook de schilderkunst van de door Marcel zo bewonderde Elstir geen realistische schilderkunst is: realisme laat de wereld zien zoals we die via onze door conventie en ratio gedicteerde blik al menen te kennen, terwijl Marcel (en ook Proust zelf) dieper gelegen mysteries peilt onder de ratio, door middel van metaforen en associatieve kortsluitingen die deze ratio achter zich laten. Dit vanuit de overtuiging "dat het minste woord dat wij in een periode van ons leven hebben gezegd, het onbeduidendste gebaar dat we hebben gemaakt, vergezeld ging, de weerschijn droeg, van dingen die er niet logischerwijs mee te maken hadden, erbij weg werden gelaten door het brein dat er voor de vereisten van de redeneringen niets mee nodig had, maar te midden waarvan - hier roze weerschijn op de met bloemen getooide muur van het landelijk restaurant, hongergevoel, verlangen naar vrouwen, genoegen in luxe, daar blauwe voluten van de ochtendlijke zee, muzikale zinnen onthullend die er deels uit oprijzen als schouders van waternimfen- het simpelste gebaar of gedrag zit ingesloten als in ontelbare dichte ruimten die elk vol dingen staan van een totaal andere kleur, geur en temperatuur; nog daargelaten dat die ruimten, verdeeld over de hele boog van onze jaren waar wij voortdurend, al was het maar van droom en gedachten, zijn veranderd, zich op zeer verscheiden hoogten bevinden en ons de gewaarwording geven van bijzonder gevarieerde atmosferen".

Exact deze veelvoudigheid en gevarieerdheid, die zo essentieel is maar in de door gewoonte gedicteerde waarneming wordt vervalst, staat bij Proust en zijn ik- verteller voorop. Wat hij demonstreert door het meanderende karakter van zijn zinnen, waarin allerlei zaken die je normaal nooit gecombineerd ziet worden heel suggestief met elkaar worden verknoopt. Dat gebeurt niet alleen in de boven geciteerde zin, maar ook in de nu volgende: "Ongetwijfeld- naar men gezien heeft hadden verscheidene episoden van dit relaas het mij bewezen- bestaan er velerlei zinsbegoochelingen die het werkelijke aspect van deze wereld voor ons vervalsen; maar enfin, ik zou er naar vermogen op kunnen letten, in de nauwkeurigere transcriptie die ik zou trachten te geven, de bron van de klanken niet te verleggen, mij ervan te onthouden ze los te maken van hun oorzaak waar het verstand ze achteraf bij situeert, alhoewel de regen zachtjes midden in de kamer te laten zingen, en als een stortvloed op de binnenplaats te laten neerkomen eigenlijk niet onthutsender zou hoeven te zijn dan wat schilders zo vaak gedaan hebben wanneer zij vlak bij ons dan wel heel ver van ons af, al naar de wetten van de perspectief, de sterkte van de kleuren en de illusie van het eerste gezicht ons doen voorkomen, een zeil of een bergtop schilderen die een beredenering vervolgens op soms enorme afstanden zal plaatsen". Wat Proust eindeloos fascineert, net als deze schilders, is de wereld vanuit ongebruikelijke perspectieven die vooraf gaan aan onze beredeneringen. Dus de impressies in hun nog niet geschematiseerde veelvoudigheid en veranderlijkheid. Precies die impressies wil naar boven halen uit de bronaders van zijn innerlijk, en articuleren in zijn anti- conventionele literatuur. Exact dat is zijn extatische vreugde, en zijn ultieme roeping als schrijver.

Heel de romancyclus "Op zoek naar de verloren tijd" staat, zo weet je na "De tijd hervonden", in het teken van deze roeping. Alle zinnen in deze cyclus zoeken naar een essentie: ze beschrijven niet alleen een gebeurtenis of belevenis, maar exploreren vooral alle mysterieuze weerklanken ervan in het innerlijk van de verteller. Alle eindeloos uitgesponnen passages over de van smart, redeloze jaloezie en krijsende verlatingsangst doordesemde liefde van Marcel voor Albertine peilen vooral de spelonken van Marcels innerlijk. Alle observaties van andere liefdes zijn contrapunten die nieuw licht laten schijnen in die spelonken: in enkele adembenemende scenes wordt beschreven hoe de geïnverteerde Charlus zich overgeeft aan sadomasochistische sensaties vol pijn en vernedering, en daarmee ongedachte bronaders van pijn aanboort die even ongedachte nieuwe perspectieven bieden op de geaberreerde aspecten van passie en liefde, en exact DIE perspectieven verrijken dan weer Marcels eigen perspectieven op het voor hem zo kwellende raadsel van liefdespijn. Juist ook door dat raadsel nog raadselachtiger te maken. IJzingwekkend is hoe Marcel het verval beschrijft van allerlei zeer oud geworden personages die hij naar jaren weer ziet, en die ijzingwekkendheid wordt nog groter als je beseft dat het hem gaat om de wetten van verval en ouderdom, om wat dit verval en ouderdom van anderen hem leert over het verval dat ook hij in zijn eigen lichaam en geest ervaart. Of: aarzelend en met angstige huiver BEGINT te ervaren. Prachtig is ook hoe in "De tijd hervonden" teruggegrepen wordt op allerlei passages in vorige delen van de romancyclus, waarin Marcel keek naar meidoorns, naar de torens van Martinville, naar de zee, en dan zeer intens gewaar werd dat deze natuurbeelden en cultuurbeelden een dringend appel op hem deden, dringend duidelijk maakten dat zij hem iets te zeggen hadden, een surplus aan betekenissen suggereerden die hij nadrukkelijk in woorden MOEST vertalen. Elke ervaring, aldus Proust, is subjectief, dus een beeld in ons innerlijk. En elk beeld bevat ook een rijkdom die we ons niet bewust zijn, en precies daardoor vele mysterieuze vingerwijzingen over ons eigen ik. Immers, de weerklank die een gebeurtenis in ons innerlijk heeft zegt vooral iets over onszelf. Marcels verrukking over een meidoorn zegt iets over die meidoorn, maar vooral iets over Marcel. Zoals ook Marcels snakkend verlangen als kind naar de troostende moederkus, en zijn panische angst dat hij die moederkus niet krijgt, samen met zijn latere enorme verlatingsangst en jaloezie jegens Albertine een raadselachtig patroon vormt: een patroon dat iets zeer wezenlijks over Marcel zegt. Maar WAT zegt dat alles dan? Precies die bodemloze vraag, die wij in het leven van alledag meestal negeren, wordt tot op de bodem onderzocht bij Proust. Elke zin in zijn cyclus draait om een singulier fenomeen, en om de weerklank van dat fenomeen in Marcels individuele en unieke innerlijk. Elke zin is een poging om het mysterie van die weerklank te ontcijferen, te verbeelden, te analyseren en in patronen te structureren, kortom: te vertalen in de mysterieuze pracht van zijn literatuur. En om via die pracht het leven intenser te beleven dan ooit tevoren.

De roeping die de ik- figuur ontdekt in "De tijd hervonden" is dus: afdalen in het eigen innerlijk, exploreren van de eigen verborgen essenties die de tijd ontstijgen, deze vertalen in grote literatuur. De ontdekkingen die dat oplevert worden zoals gezegd in extatische, bijna mystieke, soms zelfs religieuze termen beschreven: alle ontgoochelingen en alle door de tijd veroorzaakte vernietigende omwentelingen worden overwonnen in extatische jubel en in gewaarwordingen van ultieme waarheid en schoonheid. Ik heb soms moeite daarin te geloven, niet alleen door mijn weinig religieuze inborst, maar vooral door de intensiteit waarmee Proust liefdespijn, verval en dood beschrijft. Hoe kan zulk enorm leed overwonnen worden door welke kunst dan ook? Hoe kan zoiets zinloos als dood en verval toch zin hebben in literatuur? Bovendien, laat juist Proust niet vlijmscherp zien hoe zinloos de dood is, en hoe wankel alles in ons leven is? Maar aan de andere kant: Proust laat elk fenomeen (en de innerlijke weerklank van dat fenomeen) van alle kanten zien, ook het meest zinloze en pijnlijke en naargeestige, en nodigt als geen ander zijn lezers uit om die fenomenen met meditatieve aandacht in al hun aspecten te doorschouwen. Mij levert dat inzichten op die ik nergens anders tegenkom, ook in mijn eigen verlatingsangst en eigen angsten voor ouderdom en dood. Die inzichten zijn dan op zijn minst troostrijk, zelfs de inzichten in zinloosheid en pijn. Terwijl ik bij vrolijker fenomenen- zoals de beschrijving van strand, zee en lichtspel bij Balbec- zelfs net zo hard uitbarst in gejubel als de ik- figuur zelf. Bovendien, alles wat ik in het dagelijks leven gedempt voel, zoals angst of jaloezie of vreugde om een zomerdag of de weerklank van een meidoorn op mijn innerlijke gesteldheid, wordt door Proust veel intenser voelbaar gemaakt. Proust maakt voor mij dus waar dat ZIJN literatuur een intensivering van het leven is. Elke keer dat ik hem lees doet hij dat opnieuw, elke keer anders maar niet minder heftig dan de vorige keer. Ik zie Prousts werk bovendien elke keer weer als een inspirerende uitnodiging om, gewapend met zijn ongeëvenaarde inzichten, mij ook onder te dompelen in de mysterieuze diepten van mijn eigen innerlijk. In de volle wetenschap natuurlijk dat ik dat lang niet zo goed kan als Proust zelf, maar niettemin.

Proust heeft mij veel te vertellen. Maar een van zijn belangrijkste boodschappen, voor mij, is: beschouw alles wat je doet met optimale aandacht, met alle vermogens van genuanceerde reflectie, met alle inzet van je verbeelding. Doe dat ook bij het onaanzienlijke, het saaie, en zelfs datgene wat angst of leed berokkent. Precies die aandacht geeft hij, en roept hij bij de lezer op, met zijn ongelofelijk genuanceerde, zorgvuldige en lange zinnen, en met de altijd verbluffende nieuwe verbindingen die hij daarin legt. Alles wat vergeten of niet waargenomen werd, en dus a priori "verloren tijd" was, schittert op nooit eerder vertoonde wijze in al zijn facetten. Dat zorgt voor jubel, bij hem en bij ons. Ook alle vreselijke vergankelijkheid, leed en verval, alle naargeestige en onstandvastige chaos waar wij liever van wegkijken, wordt door hem in lange, ongehoord genuanceerde zinnen met ongekende aandacht belicht. En die aandacht leidt tot allerlei nieuwe inzichten, wat ons op zijn minst troost en rust geeft. Dezelfde troost en rust misschien die je krijgt door mediterend al je angsten en pijn aandachtig te onderzoeken. En door daarbij alle clichés of al bekende waarheden te vermijden, want: "wat al bij voorbaat duidelijk was, is niet van ons. Uit onszelf komt slechts wat we onttrekken aan de duisternis die in ons is en die anderen niet kennen". Ook zegt Proust: "Het echte leven, het eindelijk ontdekte en verhelderde leven, het enige leven dat bijgevolg ten volle doorleefd wordt, is de literatuur. Dat leven woont in zekere zin op ieder moment in alle mensen. Maar zij zien het niet, omdat ze het niet trachten te verhelderen. En zo blijft heel hun leven belast met ontelbare negatieven die nutteloos blijven aangezien het verstand ze niet heeft 'ontwikkeld'.". Verloren tijd is dus de opeenhoping van onontwikkelde negatieven in ons, van onze innerlijke beelden die onbelicht blijven of alleen zijn belicht in al te conventionele, en daardoor niet werkelijk verhelderende taal. De tijd hervonden is dan ultieme verheldering van die beelden, dankzij de niet- conventionele stijl van Prousts literatuur. En die ontdekking en verheldering is op zijn minst een bron van troost, en vaker nog een bron van ultieme vreugde. Voor Proust als schrijver, en voor mij als lezer.

Wat was "Op zoek naar de verloren tijd" weer een bedwelmende cyclus, wat was "De tijd hervonden" weer een prachtig slot. Wat is het mooi dat ik deel 2 t/m 7 nu weer herlezen heb. En wat zal het mooi zijn om dat over een jaar of tien weer te doen. Maar ook als dat er om wat voor reden dan ook niet van komt, blijft Proust nog jaren lang prachtvol voort schitteren in mijn herinnering.

Reacties op: Literatuur als intensivering van het leven. Bedwelmend slot van een bedwelmende cyclus

4
De tijd hervonden - Marcel Proust
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het e-book € 14,99
E-book prijsvergelijker