Advertentie

Van Raduan Nassar las ik laatst "Bijbelse landbouw", een formidabele intense roman over de botsing tussen de wijsheid van de christelijke orde en de woedende opstand tegen die orde. Een opstand die onderdompeling in de chaos betekent, en dus zeker met kwellingen en ontworteling gepaard gaat, maar die ook een omarming oplevert van ervaringsintensiteiten die je als meer traditioneel of conventioneel ingesteld mens nooit meemaakt. Meteen daarna las ik de novelle "Een glas woede", ook formidabel intens, ook vol opstandigheid en woede. En ook weer in swingend Nederlands vertaald door Harrie Lemmens.

Elk hoofdstuk in deze novelle bestaat uit één enkele jachtige zin, vol ademloze komma's en enkele puntkomma's, met pas aan het eind van het hoofdstuk de pauze van de punt. De eerste, vrij korte hoofdstukken staan helemaal in het teken van seks, geilheid en erotiek: een oudere man (de ik- verteller) en een jongere journaliste laten elkaar alle hoeken van diverse kamers en van het bed zien, op echt ongelofelijk meeslepende wijze. Meeslepend niet alleen door de brute geilheid en uitzinnige vervoering die van de pagina's spat, maar ook door de enorm poëtische en verheven metaforen die gebruikt worden en de rituele, bijna kunstzinnig- geraffineerde wijze waarop de erotische spanning wordt opgevoerd. Erotiek als kunstvorm, jazeker. Leidend tot intensiteiten die door de lange, steeds jachtiger wordende zinnen prachtig voelbaar wordt gemaakt. Of liever: elk hoofdstuk bestaat uit een zin die steeds jachtiger wordt, een zin die door de vele komma's ook de lezer opzweept, en die mij steeds helemaal euforisch maakte door zijn beeldenrijkdom en zijn even spetterende als ritueel- kunstzinnige erotiek.

Na deze kortere inleidende hoofdstukken komt het langere kernhoofdstuk, dat ook weer uit één enkele jachtige zin bestaat. Maar nu duurt die zin zo'n 50 bladzijden, en is het een onnavolgbaar crescendo van redeloze en steeds toenemende woede. De aanleiding is even onverhoeds als alledaags als onbenullig: "ik wilde stilte, vond het veel te prettig met mijn blik te blijven hangen bij de moerbeibomen met hun nieuwe blaadjes, die door hun brutale groen (altijd weer mooi!) afstaken tegen de achtergrond, maar ineens werden mijn ogen weggeleid, als zoiets gebeurt weet je nooit wat voor duivel erachter zit, en dit is wat ik ondanks de nevel zie: een gat in mijn haag, het zal toch niet waar zijn! , ik druk mijn sigaret uit in de asbak en brand mijn vinger, zij begreep het niet en vroeg 'wat is er?', maar ik stormde al struikelend de trap af […]". Vredig zittend in zijn tuin, ziet de ik- figuur dus plots een gat in de omheining van zijn tuin, in de omheining van zijn vredige veilige wereld, en daardoor verliest hij helemaal zijn zelfcontrole. Dat lijkt een onbenullige aanleiding, maar wel een herkenbare, want ik vrees dat ik zelf om dat soort kleine zaken ook erg boos kan worden, zonder dat ik dat begrijp. Bovendien onttrekt die aanleiding zich aan de redelijke en bewuste wil van de ik- figuur: zijn ogen worden immers "ineens weggeleid", waar volgens de ik- figuur de duivel achter moet zitten, en niet hijzelf. En het rappe crescendo van de woede lijkt mij ook meer iets dat de ik- figuur overkomt dan iets waar de ik- figuur greep en sturing over heeft. Schitterend vind ik hoe dat crescendo voelbaar wordt door details als een uitroepteken gevolgd door een komma, waarna de zin gewoon weer doorloopt: alsof zelfs de door het uitroepteken gemarkeerde schreeuw niet leidt tot een adempauze tussen twee zinnen. Snel daarna volgen de krachttermen: "en toen ik dichterbij kwam, hield ik het niet meer, 'godverdomde kutmieren', en ik herhaalde nog harder 'kutmieren, kutmieren', toen ik zag dat ze een flinke lap uit de haag hadden weggevreten en dat er een flink aantal blaadjes op de grond lag […]". Waarna hij, "trillend en schuimbekkend" en "met een wraaklust zoals ik die alleen zelf ken, want alleen ik weet wat ik voel, laaiend op die ordentelijke mieren, laaiend op hun voorbeeldige efficiëntie, laaiend op die kutorganisatie die zich niets aantrok van alle gevloek en mijn ligusterhaag opvrat […]", alle hoeken en gaten van de tuin volstort met emmers mierengif.

Intussen doet zijn vriendin ook nog eens uitspraken van het type waar maak je jezelf nou zo druk om, die zijn woede nog meer voeden. Of die hij dankbaar benut om concrete richtpunten te geven aan zijn toch al oncontroleerbaar aanzwellende razernij Zodat het crescendo van woede nog verder wordt opgevoerd, door de ik- figuur maar ook door de steeds bozer wordende vriendin, in een ruzie vol razendsnel oplopende haat- liefde, doordesemd van pijlsnel stijgende gekrenktheid, doorregen van gekrenkte eigenliefde en rap toenemende destructiedrift, én doordrenkt van zelfdestructie. Soms ook vol zinderende erotiek, trouwens, want de ruzie windt de beide elkaar voor even hatende geliefden op meerdere manieren op. En tegelijk is de ruzie doordesemd van frustraties en irritaties die ze normaal verzwijgen voor elkaar en zichzelf, maar die nu op orkaankracht worden gevoeld en uitgeschreeuwd.

Opmerkelijk en fascinerend genoeg gaat dat alles gepaard met reflecties van de ik- figuur, en vrij scherpzinnige gedachten over effecten die hij met zijn beledigingen hoopt te bereiken. Het lijkt soms alsof de ik- figuur zijn diep gevoelde woede gek genoeg dus deels ook speelt, als ware hij een acteur met zijn vriendin als publiek. Misschien daarom zegt hij ook (in een innerlijke monoloog, niet tegen zijn vriendin) dat zijn vriendin niet begrijp dat "mijn verstand op dat moment op volle toeren draaide, en nog minder dat het verstand nooit kil en passieloos is, alleen lui die bij het nadenken niet tot bij de aandrijvende kern komen geloven het tegendeel, om dat te snappen moet je echt scherpzinnig zijn […]". Het verstand blijft volgens de ik- figuur dus werkzaam in zijn woede, of beter: passie en woede zijn de aandrijvende kracht van dat verstand, zodat ook dat verstand steeds scherper wordt naarmate de woede toeneemt. Maar dat betekent naar mijn gevoel ook dat het verstand wordt aangedreven door iets waar dat verstand geen greep op heeft. Misschien daarom wint die aandrijvende kracht van de passies het meer en meer van het verstand. Dat de ik- figuur zijn vriendin slaat heeft nog elementen van bewuste berekening en tactiek (of is dat alleen rationalisatie?). Maar uiteindelijk explodeert de ruzie, verliest de ik- figuur zijn controle, en blijft hij eenzaam en ontluisterd achter: "mijn lichaam opgerold in het vlechtwerk van de zwendel, mijn ingewanden aangevreten door het zuur, een zwaargewonde acteur, moederziel alleen - zonder publiek, zonder podium, zonder spotlichten, onder een intussen glorieuze en onverschillige zon- omringd door het zoemen van bloed en stemmen, omringd ook door grint verder weg […]".

Ik zou "Een glas woede" al mooi genoeg hebben gevonden als het 'alleen maar' de meeslepende beschrijving was geweest van erotische vervoering en van escalerende woede. Maar het is naar mijn gevoel meer dan dat, omdat met name die woede de allure krijgt van een protest tegen elke orde. Waar "Bijbelse landbouw" vooral ging over de woedende opstand tegen de monotheïstische Wet, lijkt "Een glas woede" te gaan over de opstand tegen ELKE orde en ELKE wet. In zijn opwinding raast de ik- figuur immers: "de tijd is voorbij dat ik het schandalige bestaan van fantasiewaarden erken, de ruggengraat van elke "orde", en omdat ik niet kon ademen werd me de verstikking opgelegd; dat besef is het wat mij bevrijdt, dat duwt mij naar voren […..]". Zelfs zegt hij: "ik heb al gezegd dat de marge ooit mijn kwelling was, maar die marge is nu mijn geluk, ik werd weggedrongen toen ik wilde deelnemen, laat de wereld maar naar de bliksem gaan! […] ook al dondert de hele mikmak in elkaar, ik kijk niet op of om; tegen het absurde de waanzin, en een ander antwoord is niet mogelijk; het is wrang, ja, zeker, maar het tenminste adequaat […]". Waar zijn vriendin nog woedend zegt dat "die gestoorde wereld van ons alleen rationele oplossingen eist" omdat "alleen een gek nee zou zeggen tegen een beheerste onzekerheid" , zegt de ik inderdaad "nee" tegen die beheerste onzekerheid en "ja" tegen de absurde chaos van het bestaan. Dus ook "nee" tegen elke orde, omdat elke orde het absurde ontkent en verstikkend of onderdrukkend werkt. Waarmee hij ook "ja" zegt tegen onoplosbare tegenstrijdigheid die aan de waanzin grenst. Want "alleen dwazen en brutale apen preken dat ze maar één heer dienen, uiteindelijk zijn we allemaal klungels die uit een en dezelfde schoot gebaard worden, dragers van de kloterigste tegenstrijdigheden, maar als iemand zich zou voordoen als door een door fatsoenlijk, dan zou hij daarmee al onmiddellijk blijk geven van een totaal gebrek aan fatsoen […]". De ik- figuur eist hier naar mijn gevoel erkenning op als klungel én voor zijn eigen "kloterigste tegenstrijdigheden", en weigert pertinent die tegenstrijdigheden te laten knechten door één heer te dienen. Mede daarom roept hij "ik neem dus de rol van alle kwaad op me, al was het maar omdat er net zoveel goddelijks zit in het kwaad als in de heiligheid". Mede daarom roept hij dat hij "ferm en coherent (naast meesterlijk, als acteur) de liturgie van een zwarte mis betrad". En mede daarom krijst hij: "het heeft me heel wat moeite gekost voordat ik heb geleerd het brandmerk dat ik draag te veranderen in een genade", waarmee hij zich dus trots identificeert met Kain, een prototypische gebrandmerkte opstandeling tegen Gods orde.

Is dit geïnspireerd op Camus' "De mens in opstand"? Misschien wel, gezien de nadruk op het absurde. En ook gezien Camus' stelling dat de mens in wezen een opstandeling is die fel tegen zijn lot protesteert en die per definitie elke orde afwijst. Of liever: elke orde zou MOETEN afwijzen, want veel opstandelingen dwingen helaas met geweld weer een nieuwe repressieve orde af. Wat pertinent niet de keuze is van Camus, en volgens mij ook niet van Nassar. Temeer niet omdat Nassar van de ik- figuur geen triomferende held maakt, maar een woedende wanhopige die (zoals eerder aangehaald) eenzaam en ontluisterd achterblijft als "een zwaargewonde acteur, moederziel alleen". Waarna in het laatste hoofdstuk nog wel een ontroerende en troostrijke coda volgt, maar niettemin.

Maar ik vind het juist prachtig dat de ik- figuur geen triomfator is maar een wanhopige die in zijn woedende protest de eigen grenzen van zelfbehoud opzoekt. Ik vind het juist inspirerend hoe hij in zijn woede opkomt voor de rechten van zijn eigen onredelijkheid, voor zijn bestaan als klungel met kloterige tegenstrijdigheden, voor zijn eigen marginalisering en outcast- positie. Ik bewonder bovendien hoe "Een glas woede" ons onderdompelt in volstrekt buiten- conventionele ervaringsintensiteiten, en het recht opeist om die te mogen voelen tegen alle taboes in, door het crescendo van de woede maar vooral door de geniale stijl waarmee die woede voelbaar gemaakt wordt. En ik genoot, omdat ik voor even de versmoorde schreeuwende rebel voelde ontwaken in mijn door taboes versufte burgerlullenborst. Wat een boek! Wat een schrijver!

Reacties op: Woedende opstandigheid en omarming van chaos en tegenstrijdigheid

4
Een glas woede - Raduan Nassar
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker