Advertentie

De Roemeense schrijver Max Blecher (1909-1938) leefde kort, verbleef vanwege ruggemergtuberculose zijn leven lang in sanatoria, was door die ziekte ook voortdurend ten dode opgeschreven en geïmmobiliseerd, en schreef toch drie romans. Dat mag opmerkelijk heten, te meer omdat de eerste twee, "Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid" en "Gelittekende harten", als onverbiddelijke meesterwerken gelden. Zijn derde roman, "Het verlichte hol", verscheen postuum en onvoltooid, en is naar mijn idee ook minder formidabel dan de andere twee. Maar ik vond hem niettemin wel heel intrigerend. De vertaling is van Jan Mysjkin, en dus uitstekend. Wat eveneens geldt voor het nawoord: daarin geeft Mysjkin een fraaie interpretatie van "Het verlichte hol", maar ook van Blechers eerdere romans.

"Het verlichte hol" draait om scenes uit Blechers eigen sanatoriumleven, die gepaard gaan met soms adembende beschouwingen over de onwerkelijkheid van dit sanatoriumleven en van het bestaan in zijn algemeenheid. De roman opent als volgt: "Alles wat ik schrijf was ooit werkelijk leven. En toch, als ik elk moment apart beschouw en opnieuw probeer te zien, ja te reconstrueren, dus terug te vinden in zijn eigen licht, dan word ik vooreerst getroffen door de vergankelijkheid van dit vervlietende leven en vervolgens door het totale gebrek aan belang, waarmee die momenten zich voegen in wat kortweg een 'mensenleven' heet". Dat zo dominante gevoel van vergankelijkheid en futiliteit is sterk beïnvloed door zijn ziekte: "Alles wat ik voor mijn ziekte volbracht, had voor mij een welomschreven betekenis en een een zekere zin in het leven, die mijn alledaagse handelingen op het weefsel van een groot doek plaatsten, waarvan contour en subject op het eind moesten verschijnen. Nu weet ik dat er geen weefsel, contour of subject bestaat en dat de feiten van mijn leven zich zomaar in een wereld afspelen, die op zich zomaar een wereld is". De buitenwereld en binnenwereld zijn voor de zieke Blecher dus verstoken van samenhang, van zin, van betekenis, en van bestendige contouren. Dus kijkt hij naar de wereld en de werkelijkheid zonder er ook maar iets van te verwachten: "De hele werkelijkheid stond te mijner beschikking, op voorwaarde dat ik haar diep inademde en weer uitademde zonder plannen of illusies". Want: "Alles wat we doen en denken verdwijnt definitief in de lucht. [...] Ik hef mijn arm en in het zog van het doorkruiste traject herstelt de lucht zich meteen, en de lucht is helder en onverschillig alsof er helemaal niets doorheen was gegaan".

Opmerkelijk is daarbij hoe vaak de fysieke werkelijkheid en de gedroomde werkelijkheid met elkaar vervloeien in "Het verlichte hol". Alsof de werkelijkheid niet werkelijker is dan een droomvisioen, en alsof een droomvisioen niet onwerkelijker is dan de werkelijkheid. Beiden zijn bovendien even vergankelijk en vluchtig. Blecher schrijft niet voor niets: "[D]e visioenen die me verlichten, verloren in de overweldigende diversiteit, komen me voor als fosforescerende oceanische deeltjes die verloren gaan in het donker van de nacht, ergens, op de stilte van een wateroppervlak, als de winden gaan liggen en de sterrenhemel met een koepel van stilte de onmetelijkheid van de tropische oceanen overdekt. En zulke fosforescerende deeltjes, ontdaan van elke betekenis, eens en voor altijd verloren in de nacht, zijn ook mijn lijnen en mijn zinnen...". Dromen, dingen, ervaringen, emoties, mensen, ruimtes: allemaal niks meer dan fosforescerende deeltjes, die voor even oplichten in Blechers herinneringen of zinnen die zelf ook niks meer dan fosforescerende deeltjes zijn. En dat resoneert weer in "het verlichte hol", de titel van deze roman en het beeld van het innerlijk van de schrijver. In diens innerlijk lichten de fosforescerende deeltjes van zijn leven en de door hem ervaren wereld als het ware voor even op. Waarbij het "hol"- zoals Mysjkin terecht zegt- associaties oproept met Plato's allegorie van de grot: de grot waarin de door schijn bevangen mens met zijn rug naar de werkelijkheid zit, alleen schaduwen en echo's van die werkelijkheid waarneemt, en dan ten onrechte denkt de werkelijkheid en het wezen te zien. Het "verlichte hol" van Blecher is dan net zo vol schaduwen en schijn als Plato's grot. Bovendien, volgens Plato bestaat er nog een waarheid die boven de schaduwen uitstijgt, terwijl het verlichte hol van Blecher alleen fosforescerende deeltjes kent en ultieme duisternis. En niks meer dan dat.

Vaak zweven de zinnen in "Het verlichte hol" dus tussen onwerkelijke werkelijkheid en onwerkelijke droom. Zoals Blecher en de andere sanatoriumpatiënten voortdurend zweven tussen leven en dood, en vaak ook tussen de werkelijkheid en ijlende koortsdroom. Dat onzekere zweven, en het daarmee gepaard gaande besef van vergankelijkheid, wordt pregnant beschreven. Dat krijgt nog extra scherpte in passages waarin Blecher de verbijstering beschrijft over zijn eigen zieke lichamelijkheid: "Ik kon niet één moment begrijpen dat die uiteengereten, ronde en gevoelige spieren mijn platte en witte buik van voor de operatie waren; het was echt een stuk vlees uit de slagerij dat men daar had neergelegd om mij bang te maken. In het midden van dit vlees, open als een vagina met opgezwollen en met bloed doordrenkte randen; zoiets had ik tot dan toe alleen gezien wanneer ik met mijn rijtuig uitging en mijn merrie haar staart voor wat dan ook ophief en zich dan, als een exotische bloem met dikke roosblaadjes, een prachtige rode vulva onthulde". Dat zijn behoorlijk heftige en associatieve beelden, en zo heeft Blecher er nog meer. Zijn proza is daardoor vaak behoorlijk ontluisterend. Dit soort beschrijvingen van fysiek verval, in combinatie met al die passages over de vluchtigheid en betekenisloosheid van alles, hakken er bij mij in elk geval behoorlijk in.

Daarnaast echter bevat "Het verlichte hol" ook flink wat visoenen vol aanstekelijke schoonheid. Bijvoorbeeld een toevallig door een gat in de struiken waargenomen tuin, dat doet denken aan "een visioen door een magische verrekijker" en aan een prachtige tuin waarover hij ooit heeft gedroomd. Of een amulet van jade, dat nooit eerder beloofde schoonheidsdromen in gang zet: "Het was iets onvoorstelbaar moois, samengebald in een delicaat beeldje, dat een dier voorstelde met overdreven grote ogen en een open mond, waar de ingenieur zijn sleutelhanger door stak. Als je ertegen tikte, hoorde je een doffe klank, ja een droge klank met een korte, kristallijne echo, een klein geluid dat ik nooit eerder had gehoord. Ongetwijfeld gaan uit gewoonte en gebrek aan aandacht duizenden van dergelijke geluiden, klanken en tonen in de wereld voor ons verloren, evenals de kleuren en transparanties van water, glas en edelstenen, waaraan we voorbijgaan zonder erbij stil te staan. Een paar dagen mocht ik de jade amulet op mijn kamer houden, en als ik 's nachts wakker werd, hield ik hem voor mijn ogen en ontdekte ik in de doorschijnendheid ervan telkens weer nieuwe tekeningen en caleidoscopische fantasmagorieën". Dat soort schoonheid staat voor mij in intrigerend contrast met het zo pregnant beschreven verval, en met de zo indringend beschreven futiliteit van alles. Toegegeven, ook dit soort schoonheid is voor Blecher niets meer dan een fosforescerend deeltje dat meteen verdwijnt in de nacht, maar toch schittert die schoonheid bij hem soms opmerkelijk fel. En misschien komt dat juist door de onthechte blik waarmee Blecher naar de wereld kijkt. Hij beschrijft in de boven geciteerde passage klanken, kleuren en transparanties die "uit gewoonte en gebrek aan aandacht" meestal voor ons verloren gaan: als tussen dood en leven zwevende zieke heeft Blecher echter geen enkele boodschap meer aan die gewoonte, en dus gaan voor hem deze klanken, kleuren en transparanties juist niet verloren. Wellicht ook omdat hij, wetend dat zijn levenstijd zeer beperkt is, met extra aandacht naar dit amulet kijkt. En zich helemaal overgeeft aan de schoonheid van dit amulet, en aan de fantasmagorieën die dit schone amulet oproept. Fantasmagorieën waar wij, als gezonde ons in rustgevende alledaagsheid onderdompelende burgermannen, totaal aan voorbijgaan. Zoals wij, begoocheld door onze gezondheid en ons leven betekenisvol wanend, ook voorbijgaan aan ons onherroepelijke verval en aan de futiliteit van alles.

Ik heb "Het verlichte hol" kortom graag gelezen, al is het naar mijn smaak niet zo meesterlijk als "Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid" en "Gelittekende harten". De passages vol ontluisterende lichamelijkheid vond ik indringend. De passages vol onwerkelijkheid, waarin het ik en de wereld slechts oplichten als efemere fosforescerende deeltjes, boeiden mij zeer. De schoonheidsvisioenen vond ik bovendien fraai en ontroerend. Een groot schrijver, die Max Blecher. Ik ben blij dat ik al zijn drie romans nu gelezen heb. En misschien moet ik een van zijn eerdere romans binnenkort eens herlezen.

Reacties op: Max Blechers fascinerende slotakkoord

4
Het verlichte hol - Max Blecher
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
Gesponsorde boeken