Ik heb de laatste weken met veel plezier veel gelezen van Willem Brakman, negen boeken achter elkaar. Gelukkig heeft hij er in totaal ruim 50 geschreven, dus ik kan nog even voort. Hoogtepunten vind ik tot dusverre "De vadermoorders", "De graaf van Den Haag", "Gesprekken in huizen aan zee", "Een weekend in Oostende" en "Ante diluvium": uiterst wonderlijke boeken, de een nog bizarder dan de andere, vol van barokke verbeelding en een bijna compromisloos melancholiek verlangen naar het onmogelijke. Boeken waarbij ik soms helemaal de slappe lach krijg terwijl ik op andere momenten zwaar in mijmerend-filosofische stemming raak door alweer zo'n enorm poetische zin. Volkomen onnavolgbare boeken ook: totaal afstotend voor een lezer die houdt van een helder verhaal of van personages in wie hij zich kan inleven, maar enorm inspirerend voor mensen die houden van een onvoorspelbaar en ongewis leesavontuur.

"Het doodgezegde park" is ook weer zo'n typisch onnavolgbare Brakman, waarin het verhaal zich niet ontrolt als een logische samenhang van gebeurtenissen maar als een reeks van visoenen, beelden, stemmingen en verlangens met associatieve en meerduidige oorsprong. Hoofdpersoon is ene heer Hannequin: een naam die doet denken aan 'Harlekijn' (met alle connotaties van poppenkast, melancholie en treurige clownerie) en 'mannequin'. De man drijft een handelshuis annex chique bordeel: oord van verboden verlangens, ook voor heer Hannequin zelf, al was het maar omdat zijn compagnon mevrouw Van Reyne (opmerkelijke naam in deze context!) in heer Hannequins verbeelding het evenbeeld is van een verstorven geliefde van vroeger die voor heer Hannequin ook al meer een symbool was voor onduidbaar en ambivalent verlangen dan een echt persoon. Zowel mevrouw Van Reyne als haar gestorven evenbeeld zijn voor heer Hannequin meer een droombeeld dan een liefdesobject met wie de liefde consumeerbaar is: ze blijven op afstand, blijven 'ongrijpbaar' en voor Hannequin onaanraakbaar, en in mijn interpretatie MOETEN ze dat ook zijn omdat vervulling van het verlangen voor Hannequin gelijk zou zijn aan bezoedeling van het droombeeld. Als 'werkelijke' liefdespartner met wie daadwerkelijk 'de daad' zou kunnen worden voltrokken zouden mevrouw Van Reyne en haar vroegere evenbeeld vermoedelijk te banaal worden, te 'werkelijk', te eenduidig en te geordend: ze hebben voor Hannequin juist hun kracht ALS meerduidig fantasiebeeld, want fantasie en droom zijn (zoals steeds bij Brakman) juist door hun meerduidigheid vele malen rijker dan wat wij 'de alledaagse werkelijkheid' noemen. Voor hem is dus de 'mannequin' betekenisvoller dan de persoon. Zeker, Hannequin treurt om de ontoegankelijkheid van zijn gedroomde vrouwen, en is ook voor het overige zeer zwaarmoedig. Maar tegelijk houdt hij ook vast aan die zwaarmoedigheid, en koestert hij de melancholieke droom. Niet voor niets wordt over zijn gestorven liefde gezegd: "De bom die op de villa viel [...] tilde haar in concreto uit zijn leven, maar voegde haar in abstracto weer aan zijn wezen toe". Juist ALS abstractie is zij deel van zijn wezen: als definieerbaar persoon in de zo eenvormige alledaagse werkelijkheid is zij dat juist niet.

Alles in dit boek kan dus gezien worden als een soort abstractie in Hannequins wezen, of als een beeld in zijn van zwaarmoedigheid bezwangerde fantasie. Zo wandelt heer Hannequin, geteisterd door zwaarmoedigheid en melancholie, geregeld naar een park, dat overvloedig wordt beregend: steeds blijft daarbij in het midden of die regen nou echt is of de materialisering van Hannequins onduidbare innerlijke verdriet, bijvoorbeeld omdat dit park hem herrinnert aan zijn verloren jeugd en zijn verloren geliefde. En in dat park staat dan ineens een woonwagen, wat eigenlijk helemaal niet kan maar toch zo is, waarin een steeds van gedaante veranderend personage woont dat vergezeld wordt door een groteske en demonische dwerg. Dat personage, dat 'Bloesem' heet maar later ook 'Sindbad', en die soms ook de gedaante aanneemt van de sproojesfiguren of mythische figuren over wie hij vertelt, loopt dan weer leeg met verhalen vol verwijzingen naar Duizend - en - een- nacht, roept daarin werelden op van Orientaals verlangen en Orientaalse treurnis, die aan de ene kant een soort sprookjesachtig tegenwicht bieden voor Hannequins melancholie maar die aan de andere kant die melancholie juist ook op geheimzinnige wijze spiegelen. Wellicht is ook dit personage alleen een fantasie van Hannequin, dus een abstractie die in Hannequins wezen is geboren, of diens dubbelganger, maar dan wel een dubbelganger die een vervreemdend licht op Hannequin werpt. Zoals dus wellicht alles in het boek alleen maar de vrucht is van Hannequins door melancholie geteisterde verlangen en verbeelding, waarbij dan elk fantasiebeeld niet alleen op zichzelf een raadsel is maar ook weer een nieuw vreemd licht werpt op de toch al raadselachtige Hannequin. Of, nog ingewikkelder: misschien is ook heer Hannequin alleen maar een droombeeld van een naamloze verteller die zich aan het begin van het boek even meldt maar zich daarna meer en meer terugtrekt en zich uiteindelijk niet meer vertoont. Misschien is dus zelfs de heer Hannequin zelf alleen maar een abstractie in het wezen van een personage dat zich niet aan de lezer toont, maar dat wel heel fascinerend is OMDAT het zich niet toont.

Dit boek is dus (zoals gebruikelijk bij Brakman) een spiegelpaleis van dubbelzinnigheden, een onontwarbaar kluwen van verknoopte raadsels: een droomwereld of verbeeldingswereld die zich nadrukkelijk tegen elke duiding of totaalinterpretatie verzet. Een boek dat nadrukkelijk 'nee!' zegt tegen elke lezer die 'het thema'  of 'de boodschap' van het verhaal wil definieren. En de melancholie van heer Hannequin (of van de naamloze verteller) is, hoe raar dit ook lijken moge, ONDERDEEL van dit verzet. Ergens in het boek wordt de wereld vergeleken met een dictee: zonder spelfouten, zonder meerduidigheden, met een duidelijke betekenis die bij meerderheid van stemmen is vastgelegd. Maar zo niet voor de zwaarmoedige Hannequin. Want die houdt vast aan het oningevulde, het nog niet vastgelegde. Alles draait voor hem om "een trieste zuiverheid, alleen te vergelijken met de wonderlijke hang in de jeugd tot het verzamelen en opstapelen van blokken spiegelblank schrijfpapier. De rijkdom van de mogelijkheid puur en de nog grotere rijkdom die niet te benutten: er is geen woord te vinden in de taal der engelen dat geen klad werpt op dat ongerepte. Het is de oneindigheid van het verlangen naar het 'nog niet', die stilte voor de slag, alleen in sommige jeugdkamertjes nog terug te vinden. Doornroosjesglans, heilige onwil, oneindige last van de geest puur - alleen een zwaarmoedige accepteert deze zwaarmoedigheid..."

'Trieste zuiverheid', ik vind het een prachtig begrip. In mijn beleving staat het voor de combinatie van twee dingen: het verlangen om alles in de binnenwereld en de buitenwereld ombenoemd te laten zodat de raadselachtige rijkdom niet door onze taal en onze referentiekaders wordt gebanaliseerd, in combinatie met het treurige besef dat je de dingen wel MOET benoemen en dus niet ongerept KUNT laten. Ook dat is een deel van Hannequins zwaarmoedigheid: waar de burgerman tevreden denkt dat de wereld voor hem vastligt, daar heeft Hannequin het gevoel dat die vastliggende werkelijkheid niet de zijne is en dat de 'mogelijkheid puur' veel rijker is. Waarbij hij dan wel weer treurig wordt, omdat hij die 'mogelijkheid puur' niet helemaal ongerept kan laten, maar die treurnis is altijd nog te verkiezen boven de tevredenheid van brave burgers als u en ik. Heer Hannequin is naar mijn idee dus een voorvechter van de 'trieste zuiverheid' van de 'mogelijkheid puur'.

Behalve voor heer Hannequin is dit volgens mij ook erg wezenlijk voor de schrijver Brakman. Veel van zijn boeken draaien om zaken die triviaal worden zodra je ze benoemd en niettemin toch moeten worden benoemd. Maar tegelijk zijn veel van Brakmans boeken (voor zover ik dat nu kan overzien) ook pogingen deze 'trieste zuiverheid' zoveel mogelijk te redden, te bewaren, ten tonele te voeren. Ook en juist in "Het doodgezegde park". Want een normaal park is inderdaad 'dood- gezegd': vastgelegd in definities en begrippenkaders, daardoor zonder raadselachtig betekenissurplus. Het park van Brakman is echter vol meerduidigheid, zo ongrijpbaar als een windvlaag: alle gestalten zijn droombeelden, dubbelzinnige gestalten die per alinea weer een andere dubbelzinnige gedaante aannemen. Alles in "Het doodgezegde park" is zodanig ongrijpbaar dat het, paradoxaal genoeg, toch weer in de buurt komt van de 'trieste zuiverheid' van de 'mogelijkheid puur'. 

Het boek was wat taaier dan andere Brakmannetjes die ik inmiddels ken, maar ik heb er weer flink van genoten. Ik heb het twee keer achter elkaar langzaam gelezen, tegelijk wat bladerend in andere Brakmannetjes waar dit boek volgens mij naar verwees, en ik vond het mooi om te zien hoe allerlei motieven in het boek steeds meer glans kregen als je verschillende passages met elkaar vergeleek, en hoe het raadsel daardoor niet werd opgelost maar juist vergroot. Mooi vond ik ook hoe dit boek vol staat met op zichzelf mooie en sproojesachtige verhalen, spannend als in een jongensboek. Mooi is hoe die verhalen ook elkaar weer verrijken door hun onderlinge spiegelingen, de wijze waarop ze elkaar aanvullen of juist tegenspreken of door de verschillende uitwerkingen van bepaalde beelden en motieven. Maar het allermooist vind ik hoe dit boek alsmaar raadselachtiger en raadselachtiger wordt, en daarmee de verwondering naarmate het einde nadert steeds sterker voedt. Nee mensen, dit was zeker niet mijn laatste Brakman!

Reacties op: Het doodgezegde park: de 'trieste zuiverheid' van de 'mogelijkheid puur' bij Willem Brakman