Advertentie

Jaren geleden werd ik totaal omvergeblazen door "Nietzsche en Heidegger: een confrontatie" van Gerard Visser: een boek dat mijn fascinatie voor en affiniteit met die twee ondoorgrondelijk- radicaal raadselachtige Duitse denkers enorm stimuleerde. Nadien heb ik ook veel van Heidegger zelf gelezen, wat mogelijk een nog groter feest en vreugde was, maar zonder de uiterst waardevolle voorbereiding daarop door het oneindig verhelderende boek van Visser had ik dit misschien nooit gekund.

In 20o8 schreef diezelfde Gerard Visser een boek over de minstens zo radicale en raadselachtige Meister Eckhart, de ondoorgrondelijke en volgens sommigen ketterse middeleeuwse mysticus, die bekend staat als de uitvinder van de negatieve theologie. Dit boek is tevens het eerste deel van een trilogie: het tweede deel - "Gelatenheid in de kunst", over Nijhoff, Braque en Kawabata- is er inmiddels ook, een derde deel - Gelatenheid in de filosofie, bij o.a. Heidegger, Nietzsche en Benjamin- gaat nog volgen. Welnu: het eerste deel van deze trilogie heb ik, ondanks enig innerlijk protest, net jubelend uitgelezen, aan het tweede deel ga ik nu meteen beginnen, en het derde deel zal ik gaan lezen zodra het er is. Het gedachtegoed dat in "Gelatenheid" omschreven wordt is onnavolgbaar en ongrijpbaar, voor mij door zijn complexiteit ook niet altijd begrijpelijk, maar wel heel fascinerend. Het ongelofelijke, bijna meditatieve geduld waarmee Visser ons meeneemt in dit gedachtegoed, en de zorgvuldigheid en helderheid waarmee hij allerlei intrigerende vraagstukken en dubbelzinnigheden in Eckharts denken benadert, vind ik zelfs ronduit imponerend. En achteraf had ik het gevoel dat er een soort van ruimte in mijn hoofd was geopend die er eerst nog niet was: een resonantieruimte waarin de dagelijkse dingen en belevenissen beter tot hun recht kunnen komen dan dat zij in mijn meestal al te bekommerde hoofd doorgaans doen. Dit gevoel - deze stemming- is vast tijdelijk en voorbijgaand, maar ik vind hem wel waardevol, en zoiets gebeurt mij niet vaak bij het lezen van een non- fictie boek.

Visser ziet religie, filosofie en kunst als "de drie hoogste manifestaties van de geest" en "de drie hoogste machten van het leven", die met elkaar in gesprek moeten zijn. Dat gesprek brengt hij dus in zijn trilogie op gang, door het samenspel van die drie boeken, maar ook binnen elk boek. Zijn boek over Meister Eckhart focust bijvoorbeeld op de religie, vanwege de "geheel eigen plek die zij inneemt in de ruimte van het gevoelsleven", maar beweegt zich vaak op fascinerende wijze naar filosofen - Aristoteles, Heidegger, Nietzsche, Hegel, Benjamin- en kunstenaars. Dat doet Visser, naar mijn gevoel, om een zijns inziens noodzakelijk tegenwicht te bieden tegen "de belevingsrationaliteit die zich breed maakt" in ons huidige leven. Volgens Visser wordt de Verlichting meestal opgevat als de verwetenschappelijking van onze wereld, de emancipatie van de wetenschap uit het hechte verbond van religie, kunst en filosofie. We zijn daardoor geneigd alle fenomenen binnen en buiten ons als in principe rationeel verklaarbaar, kenbaar maakbaar, beheersbaar en hanteerbaar te zien. Of te willen zien. In ons voelen, denken en handelen gaan we bijna automatisch, al dan niet bewust, uit "van de illusie van een voor het intellect transparante grond".

Uiteraard heeft die verwetenschappelijking ons veel opgeleverd: denk alleen al aan de enorme winst in welzijn en gezondheid door innovaties in techniek en gezondheidszorg. Maar door onze al te grote fixatie op de belevingsrationaliteit - de illusie van maakbaarheid en beheersbaarheid- leven we, zo suggereert Visser m.n. aan het einde van dit boek, in een soort neerwaartse stroom die zich niet meer bezint en zelfs bang is zich te bezinnen. Vooral die stroom maakt dan "een verlangen naar rust" heel urgent, een verlangen "dat zich alleen laat stillen langs de weg van een hernieuwde verinnerlijking". In dat verband zegt Visser ook: "Weet je wat ik het mooiste begrip van het leven vind? Dat van Plato, die het leven begreep als reis ter zuivering van de ziel". Die reis, en die bezinning, zo suggereert Visser volgens mij, zijn juist in onze van rationaliteitsgeloof doordrenkte tijd extra noodzakelijk. Die reis voert dan niet naar een concreet nieuw doel, en zeker niet naar een nieuwe "illusie van een voor het intellect transparante grond", en dus ook niet naar nieuwe navolgbare richtlijnen van een kenbare, aanschouwelijke, alles voor ons verklarende God. Integendeel, die reis betekent een oriëntatie op een open en leeg midden, waarin zich geen enkele substantie of verklarende grond bevindt. Of, anders gezegd: het losmaken van de gedachte dat zo'n verklarende grond er überhaupt is. En de reis zelf is sterk verwant aan het Taoïstische "Wu Wei", dat - aldus Visser- zoiets betekent als: tenietdoen of achterwege laten van doelgericht handelen, van rationeel beschouwen, en van handelen en denken vanuit een rationeel eigen perspectief. De religieuze lading van Vissers boek is dus anders dan je mogelijk zou verwachten: het is bijvoorbeeld geen oproep om Gods Boodschap tot ons toe te laten, maar eerder een oefening in het loslaten van alles wat ons normaal houvast geeft bij het denken, het ervaren, het leven en het voelen. En om ons, voor zover mogelijk, bewuster te verhouden tot het open midden.

Vanuit die inzet dompelt Visser zichzelf, en ons, onder in het ondoorgrondelijke gedachtegoed van Meister Eckhart. De middeleeuwse mysticus die eeuwig op reis was naar "de godheid", het onkenbare en ongrijpbare in de ons nog min of meer vertrouwde Christelijke God. Die Christelijke God lijkt nog een min of meer voorstelbare gestalte te hebben, en vertegenwoordigt een aantal min of meer rationeel bevattelijke leerstellingen die ons tot concreet richtsnoer kunnen dienen. Maar "de godheid" is radicaal onvoorstelbaar, heeft geen eigenschappen en vertegenwoordigt geen enkele leerstelling. Hij bestaat zelfs niet, althans niet zoals fenomenen binnen en buiten ons bestaan. In taal is dus niet te vatten wat of wie hij is, zelfs niet dat hij is. Termen of denkcategorieën als bestaan en niet- bestaan zijn hier dus geheel niet toepasbaar. Ons verhouden tot die radicaal onvertrouwde godheid betekent derhalve: jezelf radicaal onthechten aan al het vertrouwde en bekende, en het totaal doorbreken van alle houvast en alle zekerheid biedende aannames. En ook het totaal onthechten aan en doorbreken van alle persoonlijke eigenschappen: het zodanig leegmaken van het eigen ik dat het geen ik meer is. Het ik en God -of: de ziel en de godheid- worden dan één, maar die eenheid is het radicaal onbekende en opene. Het gemoed en het hart worden van elke eigenwilligheid, elke eigen streving en elke voorstelling ontledigd, en getransformeerd in een onvoorstelbaar open ontvangstruimte waarin het zijn- de godheid- in al zijn onvoorstelbare openheid kan stromen. Alle dingen binnen en buiten ons zijn dan onderdeel van dat stromende zijn, en daardoor open raadsels geworden omdat ze van elke vertrouwde eigenschap zijn losgemaakt. Alles wat een roos tot roos maakte is losgemaakt van die roos, en zo "is" de roos nu in ons, zonder waarom. Zoals het hele zijn in ons stroomt, zonder waartoe, waarom en waarvoor. Of, iets minder slecht gezegd misschien: de gewaarwording dat alles zonder voorstelbaar waarom is, stroomt vrij in ons open gemoed. Of, nog iets anders gezegd: we voelen ons totaal omvademd door het "zonder waarom". Ziedaar wat Eckharts "gelatenheid" betekent, als ik nu heel kort door de bocht Vissers bewonderenswaardig minutieuze analyses parafraseer: het loslaten van elke vaste grond, eigenwilligheid en voorstelling; het zich verlaten op de radicale openheid en onbestendigheid die dan vrijkomt, en het zijn laten - dus: niet door rationele verklaringen of oordelen weer blokkeren- van die radicale openheid. Eckharts "Gelatenheid" is dus - anders dan ik altijd dacht- geen synoniem van gevoelloosheid, van "apatheia", van een onthecht zich onttrekken aan het hele bestaan: het is - als ik het even zeer versimpeld in eigen woorden mag uitdrukken- het intens doorvoelen en ervaren van de openheid en onbestendigheid van dit bestaan. Het is een met intense vreugde gepaard en uiterst geïntensiveerd levensgevoel, waarbij dan wel alles wat voorheen als kenmerkend werd beschouwt voor "levensgevoel" - eigenwilligheid, voorstellingen, beelden van wat het leven in wezen is, doelen, aannames van een rationeel waarom- volkomen is doorbroken. Het is het direct ervaren van totale openheid, van totale ongedefinieerdheid van alles binnen en buiten het ik, en die alles openende ervaring van totale openheid wordt - als ik Visser goed begrijp- door Eckhart pregnanter en indringender verwoord dan door wie ter wereld ook.

De wijze waarop Visser dit gedachtegoed voor ons ontvouwt is vele malen subtieler en rijker dan ik hier kan laten zien. Ook vele malen complexer trouwens. Ik kan al zijn theologische en filosofische vondsten niet tot in detail volgen of beoordelen, omdat dit stuk dan te lang wordt. En ook omdat ik niet alles begrijp, en over de nodige details nog vragend mijmer of met enige tegenspraak murmureer. Bijvoorbeeld omdat ik totaal agnostisch ben, en dus wat kriebels krijg bij de termen ziel en God. Maar het fascineert mij allemaal zeer, juist door de radicale onvoorstelbaarheid en zelfs onmogelijkheid van dit gedachtegoed. De preken van Eckhart zitten vol paradoxale spanningen en tegenstijdigheden, omdat ze een openheid omcirkelen die zich aan elke taal en elk begrip onttrekt, en Visser geeft door alle paradoxen te ontrafelen mooi de ruimte aan die openheid. Zoals hij ook goed laat zien dat het ervaren van die openheid, ook volgens Eckhart zelf, onmogelijk is: de "gelatenheid" gaat gepaard met nauwelijks op te brengen lijden en pijnigende ontlediging, en biedt dan hoogstens onvolledige en uiterst kortstondige glimpen van die openheid. Voorts is die openheid alleen een vermoeden, niet een dimensie die aangetoond kan worden, en elk woord dat die openheid aanduidt - ook het woord openheid zelf- is hulpeloos en hopeloos onnauwkeurig.

De "reis ter zuivering van de ziel" waar Visser het over heeft komt dus niet neer op een potje Eckhartiaans mediteren en bidden, of op een partijtje Eckhartiaanse mindfulness die tot verlossing leidt. Het is dus geen route naar een doeltoestand die we zouden kunnen hopen te bereiken. Maar wat is het dan wel? Allereerst is het een eindeloze reis, zo vermoed ik, een oproep tot een eindeloos en altijd onvolkomen zich - openstellen- voor. En dan niet zich openstellen voor iets concreets, of voor een nieuwe werkelijkheid of waarheid, maar voor het bijna niet te bevatten besef dat al het voor mij voorstelbare van totale onvoorstelbaarheid is doordesemd. Of: het vermoeden dat er meer is tussen hemel en aarde, gecombineerd met het verpletterende besef dat ik geen idee heb wat dit "meer" dan is. Visser zelf spreekt van "de ervaring van een heilzame ommekeer of hergeboorte in het leven, die men voor zijn gevoel niet aan zichzelf te danken heeft": een gevoel van genade, een gewaarwording dat men iets niet aan zichzelf te danken heeft, zonder dat dit "te danken hebben aan" dan toe te schrijven valt aan een goedgunstige kenbare God of een transparante rationele grond. Het bestaan wordt dan ervaren als een genadevolle gift, maar zonder transparante grond en dus zonder aan te wijzen gever.

Visser verrijkt zijn noties over Eckhart met de intuïtie van Nietzsche: dat alles in deze wereld voortkomt uit een spel van veranderlijke en onkenbare krachten, dat elk helder visueel en verstandelijk beeld van fenomenen binnen en buiten ons is ingebed in kolkende stromen van grillige onbewuste en onkenbare affecten. Ook verrijkt hij Eckhart met Heidegger: de man die het "zijn der zijnden" als het onkenbare niets omschreef, als de radicale openheid die zelf geen zijnde is. Want een zijnde - iets dat op een of andere wijze zich manifesteert in of buiten ons hoofd- "is", maar het "zijn der zijnden" is zelf geen zijnde. Dat zijn der zijnden (verbonden aan het ondoorgrondelijk werken van de tijd, die veel meer en anders is dan de simpele optelling van nu- momenten) is het ontbrekende antwoord op de verbaasde vraag "Waarom is er iets, en niet veeleer niets?". Het zijn der zijnden laat zich bij benadering voelen in de verbluffende gedachte dat het raadsel niet is WAT de wereld is, maar DAT de wereld is. Dat de dingen zijn is niet te verklaren uit God, want wat verklaart dan het zijn van die God? En ook niet uit de "big bang", want wat ging er dan vooraf aan die - toch al onvoorstelbare- big bang? Dus elk waarom, elke voorstelbare oorzaak en reden, is uiteindelijk zelf zonder waarom. Niet voor niets was Heidegger gefascineerd door de grondstemming van de angst, die alle zijnden hun vertrouwdheid en hun houvast biedende karakter ontneemt, die de wereld van al zijn vanzelfsprekendheid berooft, en ons daardoor voor even afstemt op de radicale openheid van het onvoorstelbare Niets. Vreemd genoeg zei Heidegger ook dat die angst samen kan gaan met een geheimzinnig soort rust, of zelfs met een ultieme vreugde. Wat ook weer een intuïtie is die bij Eckhart naar voren komt, maar wel in verrassend andere bewoordingen. Zoals ook het zijn der zijnden, of het raadselachtig zich onthullen en verhullen van de zijnden, in verrassend andere termen bij Eckhart ter sprake komt.

Uiterst inspirerend is bovendien hoe Visser de "gelatenheid" duidt als grondstemming: een begrip dat Eckhart nog niet kende, maar dat bij Heidegger voluit tot ontplooiing kwam. Een stemming is geen emotie, maar predisponeert voor emoties, gedachten en gevoelens. Als ik rustig gestemd ben, zal ik bijvoorbeeld minder snel geïrriteerd of gestresst of opgewonden raken, minder overhaast oordelen, kalmer reageren op wat mij raakt. Terwijl de grondstemming van de angst mij juist gevoeliger maakt voor het niets, de stemming van vrees of onrust mij alerter maakt op gevaar, de stemming van vreugde alles wat ik zie en voel vrolijker kleurt, de verwondering mij beter afstemt op de ongewoonheid van alle fenomenen binnen en buiten mij, enzovoort. En zelfs een gewone "Magenverstimmung" (maagstoornis) stemt mij anders af op de wereld, omdat alles wat mij normaal om het even is nu stroef gaat, ergerlijk wordt en stokt. De grondstemming openbaart, aldus Visser, het geheel van onze gemoedstoestand; hij geeft bovendien te verstaan hoe het met ons staat, en stemt het gemoed af op een verband of sfeer die ons te boven gaat. Dat laatste noemt Visser de "muzische receptiviteit": een ontvankelijkheid en "afstemming" die wezenlijk is, maar - net als muziek- niet uitputtend te expliciteren of voor te stellen in taal. Wat al geldt voor een herkenbare stemming als rust: die omvat mijn gesteldheid als geheel (tenzij ik totaal gestresst ben natuurlijk), stemt mij anders af op mijzelf en mijn omgeving dan als ik onrustig ben, zonder dat ik precies kan verklaren hoe of waarom. En voor "gelatenheid", de receptiviteit die ons radicaal opent voor het radicaal opene en die ons dus predisponeert om al het vertrouwde los te laten, geldt dat nog vele malen sterker.

Maar wat is dan die "reis ter zuivering van de ziel", en hoe verhoudt die reis zich tot "het verlangen naar rust" en naar "hernieuwde verinnerlijking" die Visser zo urgent acht? Misschien is dat voor elke lezer van dit boek anders. Maar voor mij is het, geloof ik, dit: het inspirerende en bevrijdende vermoeden dat de wereld van voorstellingen, eigenwilligheid en maakbaarheid waarin ik dagelijks leef, omvat en doordesemd wordt door een openheid die ik nooit zal doorgronden. Dat elke voorstelling die ik mij maak berust op grondstemmingen die ik niet vatten kan, dat ook mijn verstand ingebed is in muzische receptiviteit, dat ook mijn receptiviteit in principe iets meer afgestemd KAN zijn op het opene (al zal ik dat vaak veronachtzamen, en mijn leven lang blijven blokkeren met mijn eigenwilligheid en mijn zogenaamd gezonde verstand), en dat de wereld van na te jagen doelen die mij o.a. in mijn werkend leven soms beknelt al behoorlijk wat dragelijker word als ik mij probeer te onthechten aan het zogenaamde waarom en de zogenaamde rationele grond van deze wereld. Het vermoeden dat er veel meer bestaat dan wat ik mij kan voorstellen - en dat zelfs de term "bestaat" onnauwkeurig is- stemt mij ten eerste best bescheiden en nederig. Het relativeert immers enigszins mijn arrogante basishouding dat ik veel in eigen hand heb. En het is ook nog een vermoeden dat soms rust geeft en zelfs inspirerend is. Het geeft rust om bij sommige zaken de illusie los te laten dat je ze in de greep had, het geeft rust om na eerst vertwijfeld te roepen "WAAROM!?" te ervaren dat er geen waarom IS. Zoals het ook rustgevend kan zijn om minder opgejaagd te worden door de illusie van maakbaarheid, en om je minder dan anders te richten op forceren en afdwingen van datgene dat zo nodig moet, maar meer op loslaten en laten gebeuren. En ook "kunnen laten gebeuren" is een element van Eckharts "gelatenheid". Tevens is het inspirerend om te beseffen (te denken, te voelen, te ervaren) dat mijn voorstelling en kennis van de dingen altijd nog verruimd kan worden, omdat hun openheid nooit is uitgeput. Zodat ik minder probeer om ze snel te doorgronden, hun ondoorgrondelijkheid en veranderlijkheid meer tot mij toe laat, waardoor zelfs mijn burgermanstuin mij op onvoorspelbare momenten als nieuw verrast. Want alles in mijn tuin is zonder waarom, en bloeit louter omdat het bloeit. Nee, mediteren ga ik niet, en bidden ook niet, en mij totaal onthechten aan alles al helemaal niet. Maar verwonderd mijmeren over het bestaan des te meer, en over alle open ruimtes in en buiten mij nog wat meer.

Dit boek leerde mij veel over Eckhart, een fascinerend radicale denker waar ik opmerkelijk weinig van wist en begreep. Vooral verrassend vond ik hoe zijn nogal vreemde gedachten verrijkt konden worden via Nietzsche en Heidegger, en dat Eckhart tegelijk de gedachten van Nietzsche en Heidegger verrijkte. Bovendien mocht ik tot mijn verrassing ervaren dat die middeleeuwse mysticus, ondanks al zijn Christelijke religiositeit waar ik als verstokte agnosticus weinig gevoel voor heb, toch flink wat inspirerende gedachten in huis had over de raadselachtige openheid van het zijn. Zonder Vissers heldere en zorgvuldige duidingen zou ik dat ook nooit hebben geweten, zou ik mij er nooit voor hebben opengesteld. En daarom ben ik erg benieuwd naar de volgende twee delen van zijn trilogie.

Reacties op: Gelatenheid: loslaten van vaste grond, zich verlaten op een radicale openheid, en het zijn laten van een radicale openheid

1
Gelatenheid: Gemoed en hart bij Meister Eckhart - Gerard Visser
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker