Advertentie

Ik heb een ambivalente verhouding met de boeken van Roberto Calasso. "Cadmus en Harmonia", zijn beroemde boek vol hervertellingen van Griekse mythen, vond ik bij vlagen prachtig maar ook te ingewikkeld om door de komen. Aan "Ka", zijn bundel hervertellingen van Indische en Vedische mythen, ben ik uit pure vrees nooit begonnen. "De literatuur en de goden" las ik daarentegen jubelend uit, al bevatte het de nodige passages over mythen die ik niet begreep.

En nu las ik dan "K.", Calasso's bundel van ongehoord persoonlijke en cryptische essays over Kafka. Of eigenlijk hervertellingen van Kafka-passages, waarin hij inzoomt op passages uit met name "Het proces" en "Het slot". Hij interpreteert die passages niet, ziet af van symbolische duiding, maar associeert ze op zeer persoonlijke wijze met Kafka's dagboeken en brieven, en met allerlei mythische bronnen - de Vedische mythen, de Boeddha, het Tibetaans Dodenboek- waar Kafka voor zover bekend niets van wist, maar Calasso des te meer. Uiterst eigenzinnig, deze stukken: zoals Glenn Gould een heel eigen klank ontlokte aan de partituren van Bach, zo ontlokt Calassa heel eigen klanken aan het werk van Kafka. Dat maakt die stukken ook ondoorgrondelijk, wat nog versterkt wordt door hun vaak fragmentarische opzet - elke alinea is een aforisme, elke conclusie is tastend en vol vragen- en door de open, niet erg samenhangende structuur van het boek als geheel. Maar ik vond dit boek echt magnifiek, precies door dat eigenzinnige geluid en door die ondoorgrondelijke openheid. Ik had net "Het slot" weer gelezen (in nieuwste vertaling, en dan heet het "Het kasteel"), en voelde nu op geheel nieuwe wijze het zo sensationeel prikkelende mysterie van dat boek. Calasso gaf mij ook heel verrassende nieuwe gevoelservaringen van het prikkelende mysterie van "Het proces", dat ik nu echt weer binnenkort herlezen wil. En ook van veel korter werk, zoals Kafka's aforismen, proefde ik het aanlokkelijke mysterie als nooit tevoren.

Hoe doet Calasso dat? Vooral door de stijl, denk ik, een stijl die recht doet aan Kafka's mysterie, een wijze van schrijven die de intrigerende raadsels van Kafka niet opheldert maar in een nieuw en eveneens intrigerend-raadselachtig licht plaatst. Kafkalogen maken Kafka naar mijn smaak vaak dood, omdat ze proberen hem te begrijpen en zijn werk reduceren tot een paar symbolische of allegorische betekenissen. Calasso daarentegen probeert in eigen stijl mee te bewegen met Kafka's mysterieuze en absurde proza, en met de details ervan, en hij doet dat in proza dat je mijns inziens niet moet proberen te begrijpen maar dat je moet ondergaan. Net als het proza van Kafka zelf. De structuur van "K." ondersteunt dat: "K." is namelijk geen samenhangend boek dat een totaalinterpretatie van Kafka beoogt, maar een verzameling essaystisch-tastende hervertellingen die vragend inzoomen op passages en motieven die Calasso fascineren. Ook de scherpzinnigheid en eruditie van Calasso zijn fenomenaal: prachtig hoe hij passages uit "Het slot" en "Het proces" met elkaar in verband brengt, en hoe hij die passages dan weer associeert met zinnen uit Kafka's brieven en dagboeken, op een manier die de romanpassages niet tot een of andere biografische betekenis reduceert maar ze juist verder verrijkt.

Dat doet Calasso bijvoorbeeld als hij schrijft: "In Kafka's handschrift zakte de letter K. overal onderuit, met een opzichtige lus die de schrijver verafschuwde: 'Ik vind de K's lelijk, ze staan me in zekere zin tegen, en toch blijf ik ze schrijven, ze moeten wel heel karakteristiek voor mij zijn.' Door de naam K. te kiezen, dwong Kafka zichzelf honderden keren, voor zijn eigen ogen, tot een pennestreek die hem afstootte maar waarin hij wel iets herkende wat bij hem hoorde. Als hij "Het slot" in de eerste persoon had verteld, zoals hij was begonnen, had het verhaal zich minder diep in zijn fysiologie gegrift, in die gebieden die zich aan de heerschappij van de wil onttrekken". Dat Kafka de hoofdpersonen van "Het proces" en "Het slot" resp. 'Josef K' en 'K' noemt, was natuurlijk al meer mensen opgevallen. Maar ik heb nooit iemand zo elegant die letter (en naam) K. zien associëren met de voor Kafka inderdaad zo wezenlijke "gebieden die zich aan de heerschappij van de wil onttrekken". Voor een conventionele essayist of Kafka- exegeet zal deze passage te speculatief zijn, te associatief, en argumentatief te zwak. Maar Calasso maakt naar mijn smaak wel een voor Kafka heel wezenlijk motief voelbaar, zonder het mysterie ervan te doden met te veel expliciete argumentatie of duiding . Bij Calasso ademt het mysterie, omdat hij niet de duiding zoekt. Intrigerend vind ik bovendien dat Calasso, flink wat pagina's verderop, de naam K. als volgt bespreekt: "Maar Josef K. en K. hebben niet zo'n duidelijke voorgeschiedenis en evenmin zo veel bloedverwanten. De simpele K. waarmee ze worden aangeduid, is voorbode van het verdwijnen van de hele schat aan details die romanpersonages van Balzac kenmerken. Die letter is een algebraïsch teken dat voor en heel scala aan mogelijkheden staat. Maar dat impliceert geen grotere abstractie". Calasso duidt de naam K. - en het daarmee samenhangende ontbreken van biografische details en herkenbare psychologische eigenschappen- dus niet als abstractie, of als reductie, maar als het openen van een scala van mogelijkheden. Juist het oningevulde kan immers nog alle kanten op, juist het nog niet definieerbare is vol van mogelijkheden. Zo leest Calasso Kafka's "K.", en daarom noemt hij misschien zijn hele boek ook "K.". Om in stilte te benadrukken dat ook hij, net als Kafka, schrijft over ongedefinieerde gebieden, die door hun openheid scala's aan mogelijkheden bevatten. Gebieden bovendien "die zich aan de heerschappij van de wil onttrekken", waardoor hun openheid en hun scala's aan mogelijkheden nog worden vergroot.

In het prachtige openingshoofdstuk van "K." zet Calasso al op fraaie wijze deze toon. Hij zegt daarin o.a. dat de omringende wereld voor Kafka een "oerwoud barstensvol onbekende klanken en verschijnselen" was, en dat hij daarom van deze wereld alleen een "minimum aan elementen" wil benoemen. "Alles had veel te veel potentie. Daarom was het nodig zich te beperken tot wat het meest nabij was en het terrein van het benoembare af te bakenen. Daar zou alle potentie die anders zou uitwaaieren dan samenvloeien. En in wat genoemd wordt - een herberg, een dossier, een kantoor, een kamer- zou zich een ongehoorde energie samenballen", aldus Calasso. Mysterieuze passage, maar -of: juist daardoor- wel heel treffend: de verhaalwereld van Kafka is inderdaad met maar weinig concrete details gestoffeerd, maar alles in die wereld - elke weg, ruimte, persoon, kantoor, kamer- is oneindig geladen met 'iets' waar je als lezer geen greep op krijgt. En ook het personage 'K.' is inderdaad geladen met energie, met scala's aan tegenstrijdige en bovendien duister-voorbewuste mogelijkheden, wat sterk wordt bevorderd door de onbepaaldheid van zijn identiteit (zie aangehaalde passages hierboven).En dat alles zet Calasso nog extra kracht en mysterie bij door zijn even persoonlijke als ondoorgrondelijke associaties met (vooral Vedische) mythen. Bijvoorbeeld als hij schrijft: "Kafka spreekt over een wereld die aan elke onderscheiding en elke benaming vooraf gaat. Dat is geen heilige of goddelijke wereld, en evenmin een wereld die door het heilige of het goddelijke is verlaten. Het is een wereld die daar nog oog voor moet krijgen, die dat nog van het overige moet onderscheiden. Of die er geen oog meer voor heeft, die dat niet meer van het overige kan onderscheiden Het is één grote brij, een en al potentie. Doordrongen van het goede in zijn volle omvang maar ook van het kwade in zijn volle omvang. Het onderwerp waarover Kafka schrijft is de massa van de potentie, ongedifferentieerd, nog niet herleid tot haar verschillende elementen. Het is het vormloze lichaam van Vritra, die de wateren in bedwang houdt voordat Indra ze met zijn bliksem doorklieft". Die laatste zin is een breinbrekertje, maar Google en Wikipedia weten mij te vertellen dat Indra, volgens de Vedische mythologie, met zijn bliksems de draak Vritra versloeg die de wateren gevangen hield, en dat Indra daarmee de zon, de hemel en de dageraad voortbracht. Met "het vormloze lichaam van Vritra" doelt Calasso dus, volgens mij, op de wereld voor de wereldordening zoals Indra die stand bracht: een mythische wereld waarin nog geen dageraad bestond, waarin nog geen scheiding was aangebracht tussen hemel en aarde en licht en donker, waarin nog niet zoiets bestond als een in cultuur gebrachte wereld met herkenbare - menselijke- objecten. Een wereld dus waarin alles potentie is, en niks is gestold tot object of subject. En dat, zo suggereert Calasso volgens mij, is zeer vergelijkbaar met de wereld die Kafka oproept: door zijn ruimtes, intriges en personages zo met mysterieuze energie te laden dat ze in pure potenties veranderen. Zodat de "wereld voor de wereld" bij Kafka als het ware doorschemert in de zichtbare wereld.

Nou had Kafka helemaal niks met Vedische mythes, dus het bovenstaande is eerder beeldspraak dan een logisch beargumenteerd betoog. Maar Calasso laat met deze erg persoonlijke, en erg cryptische verwijzing naar Vedische mythen wel een mooi en mysterieus licht schijnen op Kafka's intrigerend mysterieuze wereld. Te meer ook omdat mythen sowieso een mooie benadering zijn van het mysterie. Goden zijn - zeker bij Calasso- personificaties van bodemloze raadsels. De veelvormige Godenwereld van de Vedische mythen, waarin alles voortdurend metamorfoseert, en waarin ook wordt gedroomd over dimensies voorafgaand aan de goden en aan de geordende en kenbare wereld, is voor rationele westerlingen al helemaal een bron van voortdurende verbazing. Voor Calasso is een mythe geen rustgevend allesverklarend verhaal dat ons vertelt hoe God de wereld schiep en hoe alles dus een kenbare oorzaak heeft, maar een mooie manier om onze verbijstering over de wereldraadsels in verhalen vorm te geven. We kijken verbluft naar de dingen, vragen ons af "waarom is er iets en niet veeleer niets", we weten het antwoord niet, en we geven onze onwetendheid vorm in een mythisch verhaal. We mijmeren over alle krachten, invloedssferen en dimensies die ons begrip te boven gaan, en personifiëren die in ondoorgrondelijke goden met ondoorgrondelijke handelingen. Zo althans kijkt Calasso, volgens mij, naar mythen. Vooral Vedische mythen intrigeren hem, volgens mij vanwege hun veelvormigheid, en vanwege alle mogelijkheden die ze bieden om de wereld te zien als brij van pure potenties of als scala's aan mysterieuze voorbewuste mogelijkheden. Als een wereld van mysterie en veranderlijkheid in ieder geval die zich onttrekt aan het Westerse rationele denken. En die wereld van mysterie ziet Calasso bij Kafka terug. Want bij Kafka zien we een wereld waarin geen enkele concrete of bij naam genoemde god voorkomt, maar wel een met mysterieuze potenties geladen kasteel dat voor K. een soort symbool van allesverklarende waarheid is maar ontoegankelijk is en moet blijven. Een wereld waarin een ondoorgrondelijke rechtsorde alles en iedereen op mysterieuze wijze beïnvloedt, op een manier die door niemand wordt begrepen, en die rechtsorde blijft daardoor onzichtbaar alhoewel hij door Josef K. wel op voor hem ondoorgrondelijke wijze wordt gevoeld. Een wereld ook waarin de protagonist niet een personage is met herkenbare eigenschappen en een kenbare voorgeschiedenis, maar een cryptisch raadsel waarin veel mysterie is samengebald, aangeduid met de naam K., een letter die volgens Calasso dus verwijst naar gebieden die zich aan de heerschappij van de wil onttrekken.

Via dit soort mysterieuze mythen en mysterieuze associaties benadert Calasso dus Kafka. En zo vindt hij naar mijn smaak een perspectief dat veel recht doet aan de rijke raadselachtigheid van Kafka's werk. Bovendien verrijkt hij daarmee mijn leeservaringen nog aanzienlijk. Dat Kafka's werk vol veelvormig mysterie is had ik uiteraard al wel gemerkt. Maar de boven aangehaalde opmerkingen van Calasso geven mij wel nieuwe ingangen en nieuwe manieren om van dat mysterie te genieten. Heel fraai vind ik bovendien hoe Calasso mijmert en meandert over de associatieve samenhangen tussen "Het proces" en "Het slot", over de overeenkomsten en verschillen tussen die twee eindeloos rijke romans, en over de mogelijkheden om "Het slot" als een voortzetting te zien van "Het proces". Alsof Josef K, na ter dood te zijn gebracht, zijn zoektocht weer tevergeefs voortzet in "Het slot", waarbij de wereld van "Het slot" door Calasso met het "Bardo" wordt geassocieerd: de tussenstaat tussen leven en dood - of tussen slapen en waken - uit het Tibetaans dodenboek. Prachtig vond ik hoe Calasso de vele, opvallend erotisch- mysterieuze vrouwen in Kafka's grote romans, beschrijft als hierodulen: priesteressen en tussenfiguren, middelaarsters tussen het aardse en het goddelijke, die uitnodigen tot erotische eenwording met een hogere -want: ondoorgrondelijk goddelijke- waarheid die zich nooit toont. Schitterend vond ik Calasso's passages over de dunne grens tussen slapen en ontwaken bij Kafka, tussen realiteit en droom: over hoe veel beslissende scenes in "Het slot" en "Het proces" aan de rand van een bed plaatsvinden. Even schitterend vond ik hoe Calasso dat associeert met het mythische motief van reizen tussen dimensies en werelden, zoals bijvoorbeeld het Sjamanistisch reizen in de droom, en met het motief van het ontwaken in het ontwaken, d.w.z. een graad van bewustzijn bereiken waardoor een personage zich voor even bewust is van het bewustzijn zelf. Wat dan een soort lucide bewustzijn oplevert dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen, maar dat wel fraai lijkt te passen bij hoe lucide Kafka soms zijn eigen bewustzijn en het mysterie van de wereld aanschouwt. En bij de paradox dat er een heel helder verlicht bewustzijn nodig is om het duistere van de binnenwereld en buitenwereld voor even scherp te zien. Heel schitterend vind ik hoe Calasso mijmert over de zichtbare wereld en de onzichtbare wereld die elkaar bewonen, zodat het onzichtbare steeds het zichtbare doordesemt en meerduidig maakt. Prachtig is ook hoe Calasso Kafka zelf en Kafka's personages beschrijft als buitenstaanders in alle mogelijke werelden, zowel de zichtbare als de onzichtbare. Wat mogelijk ook de enorme maar uiterst mysterieuze aantrekkelijkheid verklaart die K. voor vrouwen heeft: alsof de buitenstaander, die uitgestoten is uit de wereldorde en die niet past in de door taboes en ratio's begrensde wereld, bijna erotisch glanst en van buitenwereldse schoonheid wordt dankzij het mysterie dat op hem afstraalt. Te meer omdat hij de verlokkende, hoewel ook huiveringwekkende en onmogelijk in te lossen belofte belichaamt om te kunnen ontsnappen aan die soms zo knellende wereldorde. En zo is er nog veel meer: "K." zit echt vol met mysterieus mooie inzichten in Kafka's zo mysterieus mooie boeken.

Jubelend las ik kortom "K." uit. Dankzij dit boek was ik nog blijer dan ik al was met Kafka, en vond ik alles wat ik van Kafka ooit las met terugwerkende kracht nog mooier. Ook "Het slot", dat ik onlangs nog herlas (vertaald als "Het kasteel" ). Bovendien krijg ik door "K." flinke trek om nog meer van Kafka te gaan herlezen. En ik moet mij toch echt gaan onderdompelen in andere boeken van Calasso.

Reacties op: Een mysterieus magnifiek boek over Kafka

2
K. - R. Calasso
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker