Advertentie

Volkomen verbluft las ik “Nederhalfrond”, deel 1 van de tweedelige cyclus “Door het oog van de cycloon”. Een daverend debuut, dat 22 jaar heeft gerijpt in het brein van J.Z. Herrenberg. Maar vooral een verbijsterend leesavontuur, dat mij helemaal meesleepte door de ongehoorde schittering en de volkomen onmodieuze originaliteit van zijn taal. En vooral ook door de veelduidige, intrigerende, raadselachtig veelvoudige perspectieven op de werkelijkheid, die heel geleidelijk worden ontvouwd. Als je tenminste volhoudt, doorleest ondanks uitblijvend onmiddellijk begrip, je oordeel opschort, en uren wilt en durft te dwalen in onwetendheid. Elke zin biedt namelijk een taalervaring die je nog nooit gehad hebt, en glimpen op een wereld die je nooit eerder zag en die je dus ook niet zomaar begrijpt. In elke zin en elke alinea wordt iets ontvouwd dat grotendeels onbekend en duister is, en dat pas na lang en aandachtig doorlezen zijn geheim langzaam prijsgeeft, en nooit ten volle. Twee keer achter elkaar las ik dit boek, omdat ik geen afscheid kon nemen van dit prachtige taalbouwsel en zijn rijkdom aan raadselachtige verhaalwerelden. De tweede keer genoot ik nog meer dan de eerste, omdat ik nog meer details en associatieve verbindingen zag. Daardoor nam mijn euforische bewondering toe voor de onuitputtelijkheid van dit boek. En ook mijn niet begrijpende verbazing, want what the fuck heb ik nou eigenlijk gelezen, en how the fuck kreeg die Herrenberg dit voor elkaar!?

Want geloof het of niet: we hebben hier te maken met een debuut dat door zijn veelheid van stijlen en de enorme originaliteit van zijn taal sterk aan “Ulysses” van Joyce doet denken. En met een behoorlijk zwartgallige dystopie, waarin nog weer een boek is ingebed dat ook een zwartgallige dystopie is: “Nederhalfrond” is een dystopische raamvertelling met een dystopisch ingebed verhaal, als protest tegen de huidige door marktdenken gedomineerde tijdsgeest. Maar tegelijk is het een boek dat op vele momenten ook sprankelt. En door die sprankeling opent het ook nieuwe, sprankelende perspectieven, voorzichtige openingen naar een mogelijke wereld die rijker is dan de door marktdenken gedomineerde wereld, en rijker dan de eenvormige wereld die ik vanuit mijn conventionele burgermannenoog elke dag zie. In elk geval roept “Nederhalfrond” ons volgens mij op om te blijven zoeken naar dat soort sprankelende perspectieven, desnoods tegen ons gezond verstand in en hoe moeilijk of ondoenlijk het vaak ook is. “Ik ben een onverbeterlijke optimist, dames en heren. Zelfs een aporie heeft een porie waar je doorheen kunt”.

“Nederhalfrond” start, als zoveel andere boeken, met een proloog. Anders dan in andere boeken wordt dit echter een “Propolis” genoemd. En die “Propolis” begint met een oproep aan de lezer, in wonderlijk Bijbels en mythisch lijkende zinnen: “Wij schrijven het jaar en wij schrijven het zuchtend. Wij sluiten de jaren als huizen om zuigende leegte aaneen en roepen. Wij, Zonnestraal en Hel, roepen alle mensen, opdat ze komen wonen in de stad van onze allereigenste eeuw. Wij roepen u. Brengt bloed alstublieft en vult onze hulzen! Verenigt u onder de daken van talloze dagen en ziet uzelf nieuw door het Oog van onze Cycloon!”. Alle woorden zijn gecursiveerd, behalve “Zonnestraal”, “Hel” en “u”: de mythische figuren die ons in de wij- vorm toespreken, en wij die in de u- vorm worden toegesproken. De eerste zin vind ik prachtig, juist omdat ik hem niet in andere woorden kan parafraseren. De tweede vind ik schitterend, om dezelfde reden, en vanwege het beeld van “jaren” als “huizen” rondom de leegte. Ik associeer dat – puur persoonlijk, misschien helemaal ten onrechte - met Heideggers uitspraak dat de taal der dichters “Das Haus des Seins” is: het enige “huis” waar het “zijn van de zijnden” in al zijn onbepaaldheid en ondefinieerbare openheid kan wonen. Of – maar ook dit is weer een puur persoonlijke associatie- met de gedachte dat elk levensjaar, net als elk huis en elke stad en elk gedicht of boek, vorm geeft aan de leegte, betekenis geeft aan een wereld die zelf geen betekenis heeft, en die van dood en leegte doordesemd is en blijft.

Maar vooral prachtig vind ik de laatste zin, die ons oproept om het begrip “oog van de cycloon” ruimer op te vatten dan de conventies ons voorschrijven, namelijk als een echt oog dat ook echt kan kijken. En, vooral, om je voor te stellen hoe onvoorstelbaar nieuw en anders de dingen ogen vanuit het intens turbulente perspectief van een cycloon- oog. Een oog dat zich niet afsluit voor de chaotische veelvormigheid en veranderlijkheid, maar zich er voor open stelt. Ruim driehonderd bladzijden later wordt deze hele oproep, inclusief de oproep om te kijken door het cyclonenoog, onverwacht herhaald. Maar dan met de raadselachtig prachtige toevoeging: “Taal is een magisch heelal van deuren”. Een zin die naar mijn gevoel dezelfde oproep bevat, in andere termen: zie de dingen als nieuw door het oog van de cycloon, loop met open cyclonenoog door het volkomen anti-conventionele en daardoor magische taalbouwsel van “Nederhalfrond”, en laat je verrassen door de onverwachte deuren en ramen in dit bouwsel en de werelden die zich achter die deuren en ramen ontvouwen.

Boek A en boek B van “Nederhalfrond” hebben muzikale titels: “Allegro assai” en “Vivace”. Dat past mooi bij de muzikaliteit van Herrenbergs taal, maar ook bij de “Lennteparty” die centraal staat in de beide boeken: een groots, meeslepend feest van het “Marktcollege John Lennon”, door middel van een ongemeen spectaculair optreden van de superster Bor Singlecell t/m Europa (echte naam: Har Lemstra, ongelofelijk genoeg een multi- etnische Fries), terzijde gestaan door The Rusty Bike Platoon, en als dansende backing vocals de Borettes en de Borreurs. Alleen de namen van deze artiesten doen mij al breed grijzen, door hun combinatie van parodie en bijna kosmische uitvergroting. Die uitvergroting spat ook van de pagina’s af bij de werkelijk briljante beschrijvingen van hun optreden: dat is een soort Wagneriaans totaaltheater, een soort uitzinnige rock opera, met orgiastische rook- en lichteffecten, zwarte en blanke dansers in een hangende kooi, dolzinnige video-clips op de achtergrond, en tegelijk filmbeelden back- stage die tevens via internet naar het hele land worden verzonden. Herrenberg maakt dit polyfone totaaltheater bovendien nog polyfoner en intenser door steeds rapper en chaotischer te zappen en te switchen van het ene personage naar het andere, en daarmee van de ene elliptische en gefragmenteerde verhaallijn naar de andere. Je krijgt zo een bijna onhanteerbare veelheid van personages opgediend, meestal zonder enig idee te hebben waarom nou net dit personage net nu aan het woord of in beeld moet komen. Bovendien heb je vaak geen idee van wat ze denken of doen, omdat psychologische duiding ontbreekt, evenals verklaring van het wat en waarom, en omdat je, als lezer, midden in een al lopende handeling wordt gedropt zonder enige introductie.

Zo krijg je een volkomen chaotische, gefragmenteerde en ongrijpbare wereld voorgeschoteld: even chaotisch en gefragmenteerd als de wereld van internet, facebook, twitter. Maar ik vond het ook een fascinerend fraaie wereld, door de intrigerende veelvormigheid en raadselachtigheid ervan. En vooral door de veelvormigheid van taal en kunst die deze wereld gestalte geeft. Want Herrenbergs zinnen blijven swingen, op onnavolgbaar originele en ongehoord energieke wijze, en maken bijvoorbeeld Bor Singlecells performance ook voor de lezer tot echt heel meeslepende kunst. Bovendien, ook in andere passages worden alle expressiemogelijkheden van de taal benut. Cursief, vet en aparte lettertypes wisselen elkaar soms maniakaal af; je vliegt soms pijlsnel van op maximale geluidssterkte uitgeschreeuwde of uitgekotste walging (“Bluuuuuuuuhhhhhh”) naar verstilde poëzie en weer terug; je wordt soms als in een strip bekogeld met vraagtekens, uitroeptekens, smileys, en klanknabootsingen; op de raarste momenten krijgt de tekst extra ritme door uitroepen als “hop!” of geluidsnabootsingen als “klop” of “klak-klak” of “tik- tak”; je wordt geregeld verrast met woordspelingen, neologismen of ander taalspel; je wordt bestookt met tientallen citaten - vaak zonder bronvermelding- van zeer verschillende soorten auteurs (bijvoorbeeld Goethe, Klopstock, John Lennon, Bilderdijk, Van Geel, Achterberg, Trefossa, Larkin, Wallace Stevens, maar ook bijvoorbeeld The three degrees, Arrowsmith en Annie M.G. Schmidt); je zapt soms van passages vol jongerentaal zomaar ineens naar zinnen vol mythische taal of naar een performance die vol zit met Tolkien; je flitst soms van totaal aardse passages zomaar ineens naar wonderlijke alinea’s over ongrijpbare watergeesten of luchtgeesten…….

Kortom, het totaaltheater dat de “Lennteparty” al is, door het meeslepend geëvoceerde Wagneriaanse optreden van Bor Singlecell, wordt nog totaler en polyfoner door de veelheid van personages, de gefragmenteerdheid van hun verhaallijnen, en de intensiteit, originaliteit en veelvormigheid van Herrenbergs taal. Bovendien, die Lennteparty is een vreemd soort feest, dat zijn eigen innerlijke leegte overschreeuwt. “De stemming is goed, opgefokt, geadrenaleerd. Vanavond vieren de leerlingen hun jeugd. Ze zullen eten, dansen, drinken, kijken en bekeken worden, praten, luisteren, lachen en flirten en, mogelijk, meer. Een totaalbelevenis. Vanavond jagen zij in ouderloze ongeremdheid verder over de weg naar de volwassenheid, rennend, springend en struikelend met niet te verkwisten energie, buitelend langs de kilometerpalen van een prestatieloze feestzone, vol gretigheid weer enkele van de ervaringen verzamelend die hun ten slotte de unieke karaktervorm moeten geven waarmee ze de wachtende wereld, die veeleisende regisseuse, zullen verblijden, teleurstellen, ontzetten of vervelen. En waarmee ze aan het einde, wanneer dat ook komt en hoe ook bewerkstelligd, haar weer zullen moeten verlaten, uitgeblust, woedend, bezwijkend aan zware verwondingen, vol goede moed, kwijnend aan een infuus, stralend vervuld of hulpbehoevend kwijlend in geheugenloze schaduw. Doek. Vanavond. Hun opwinding zoemt dus groot naar alle uithoeken”. Prachtig, hoe de bijna overspannen energieke drift tot feesten, in deze passage, vermengd wordt met een toon van onvermijdelijke desillusie en doodsbesef. Een toon die vaak ook fraai doorklinkt in de verstilde momenten van Bor Singlecells maniakaal energieke performance: “’Frust’ verijlde allengs in stratosferisch hoge synthesizertonen, Singlecells stem als een bibberend draadje gespannen over een afgrond van eenzaamheid en stilte”. En ook in het brein van de rectrix van het “Marktcollege John Lennon”, terwijl zij toeschouwer is van het feest en aan haar troosteloos huwelijk denkt: “Thuis welfden haar borsten voor niemand meer. Grafheuvels. Hun bed was een vrieskist. Piepen en kraken deed het gelukkig nog wel; het piepte en kraakte gezellig wanneer zij er, eeuwig later dan haar eega, in kwam. Afgekeurd vlees”. De leerlingen zelf, hun ouders en allerlei autoriteiten brullen allemaal “Let’s fucking party!!!”, alsof er niks anders mag bestaan dan het ultieme feest van de eeuwige jeugd en het door niets of niemand ter discussie te stellen succesverhaal. Maar door dat gebrul heen klinkt in “Nederhalfrond” dus ook het besef van eenzaamheid, stilte en verval. Als stil, maar naar mijn smaak eloquent protest.

De school in kwestie heet niet voor niets “Marktcollege John Lennon”: de idealistische impuls van veel van Lennons songs (denk aan “Imagine”) is geperverteerd in een soort kapitalistisch feest van uiterlijk vertoon. Geleidelijk merk je als lezer bovendien dat de school zich bevindt in een wereld die wel én niet de onze is: in de fictieve plaats “Hoefbeek”, die lijkt op Delft maar ook anders is dan Delft. Want Hoefbeek bevindt zich in een fictief Nederland, dat vroeg in de jaren 2000 – 2010 toch net wat anders is dan het Nederland dat wij kennen. Want in het “Marktcollege John Lennon” dragen de leerlingen uniformen, en worden zij – zonder dit overigens te weten- voortdurend via camera’s geobserveerd en beluisterd. Ook is er een straf- en beloningssysteem, gebaseerd op door ouders ondertekende contracten, dat gericht is op dressuur tot valide en economisch productieve Nederlander. Geleidelijk merken we als lezer ook dat er buiten de school een “Buro” bestaat, bemenst door “Buronen”, die tot taak hebben om volwassen Nederlanders in een naargeestig kapitalistisch gareel te houden en hen waar nodig van hardhandige heropvoeding te voorzien in een behoorlijk repressief ogend kamp. In het lange citaat hierboven ging het o.a. over “de wachtende wereld, die veeleisende regisseuse”: de wereld in boek A en B van “Nederhalfrond” is inderdaad aan alle kanten geregisseerd, op stompzinnige wijze “gescript door een dommunicatiebureau”, en dat alles op benauwend repressieve wijze. Overigens zonder dat de meeste personages dat merken: de meeste accepteren die repressieve mechanismen gewoon, of merken zelfs nauwelijks dat ze er zijn. Herrenberg geeft geen uitgebreide beschrijving van deze dystopische versie van Nederland, en ook geen analytische verklaring van hoe deze versie is ontstaan: hij ontvouwt die dystopie beetje bij beetje, tussen de regels door, via de belevenissen van allerlei uiteenlopende personages die vaak nauwelijks op die abnormale wereld reflecteren. Zodat die bizarre dystopische wereld verontrustend normaal lijkt, verontrustend vanzelfsprekend. En zodat je, als lezer, ongerust begint te geloven dat een dergelijke repressieve wereld ook in Nederland maar zo zou kunnen ontstaan, sluipenderwijs en ongemerkt. Of misschien (deels) al ontstaan is: ook ‘ons’ Nederland heeft arm- rijk of autochtoon- allochtoon tegenstellingen, of mechanismes van marktwerking waardoor ineens ziekenhuizen moeten sluiten, of politieke partijen waarop ik stem en die toch meewerken aan niet altijd even zachtzinnige asielprocedures, en zo meer. En ik kijk daar in het leven van alledag liever van weg. Wat ik ergens wel weet, zodat ik aardig onrustig word van het fictieve maar toch herkenbare Nederland dat Herrenberg mij hier toont. Want wie weet draag ik door weg te kijken wel bij aan ontwikkelingen die mij niet zouden bevallen, indien ik ze zou doorzien.

De “Lennteparty” in het “Marktcollege John Lennon”, spelend in het fictieve “Hoefbeek”, is dus onderdeel van een zich geleidelijk ontvouwende dystopische wereld. Het is echter een fascinerend leesavontuur om te zien HOE die wereld zich ontvouwt en welke taal- en stijlmiddelen daarbij worden ingezet. Bovendien, tussen “Boek A” en “Boek B” (over de Lennteparty) ontrolt zich een ander enorm leesavontuur: een volkomen maf rapport (getiteld “MAJESTEIT!”) van een Buroon aan, jawel, Willem Alexander, en een “Boek Nul”. Alleen de titel van dat laatste boek al, die min of meer herhaald wordt in het “hoofdstuk 0” waarmee boek B begint……. Alsof “Nederhalfrond” niet netjes van A naar B wil lopen, en dus ook niet van Boek A naar Boek B: alsof er tussen elk A en B een onbepaalde tussenruimte is die ‘nul’ genoemd wordt, als een soort nieuw begin. En ja, in die “nulruimte” van dat merkwaardige tussengevoegde nulboek (en in: “MAJESTEIT!”), maken we kennis met John Derlage: een schrijver die van alles heeft geschreven, onder meer de tekst….. “De Lennteparty”. Duizeling: die hele “Lennteparty” is, vermoedelijk, de pennenvrucht van John Derlage, net als het “Marktcollege John Lennon” en de fictieve plaats “Hoefbeek”. Maar, nogmaals duizeling: ook het Nederland waarin John Derlage leeft is een dystopische variant van Nederland. Dus: Herrenberg verzint een auteur John Derlage (die overigens diverse gelijkenissen met Herrenberg heeft, maar die laat ik jullie zelf ontdekken), die in een verzonnen dystopisch Nederland leeft, en die een boek schrijft dat draait om een vergelijkbaar dystopisch Nederland, culminerend in het fictieve Hoefbeek. Derlage wordt geïntroduceerd als “Overledene”: we weten dus meteen dat hij gestorven is, en gaan geleidelijk aan vermoeden dat dit het gevolg is van dystopische repressie. Maar, volgende duizeling en ultieme test van ons vermogen om ons ongeloof op te schorten: hij transformeert ook, in diverse onnavolgbare, megalomaan- mythisch geformuleerde scenes, en beleeft een wedergeboorte. Als een soort Jezus- figuur. Als de tweede en laatste zoon van God. Maar dan onder de naam “Jezetha van Zanareth tot Hoefbeek via Delft”. Alsof hij “wedergeboren” is door "via Delft" Hoefbeek te creëren, dus door zijn woonplaats Delft te transformeren in het Hoefbeek van zijn verbeelding. Alsof hij en zijn wereld “wedergeboren” zijn door de kracht van zijn verbeelding. Alsof dus John Derlage, gestorven en wedergeboren tot Jezetha van Zanareth, symbool staat voor het vermogen van dichters en romanciers om de bestaande troosteloze werkelijkheid te herscheppen tot een totaal nieuwe. Of, wellicht, voor Herrenbergs eigen inzet om dit op zijn minst te proberen. En daarbij interpreteer ik de vele mythische scenes in Nederhalfrond niet als heel religieus, en niet als zoektocht naar een nieuwe allesverklarende God of naar een rustgevende nieuwe mythische wereldverklaring, maar als zoektocht naar het radicaal Nieuwe, Onbekende en Andere. Wat, misschien, ook de reden is dat de “X” juist in de mythische passages vaak als symbool opduikt: uiteraard een variant op de crucifix, maar wellicht ook te lezen als kruispunt van onbekende wegen (zoals in gedichten van Mallarmé), of als symbool van het naamloze, onbekende en onbenoembare.

Zo lees IK tenminste “Nederhalfrond”, terecht of ten onrechte. En binnen die interpretatie is het bij nader inzien niet heel vreemd dat dit boek niet begint met een “pro-loog”, maar met een “Pro-polis”: de opmaat tot het ontstaan van het fictieve Hoefbeek, de mythische “polis” van Derlages- Jezetha’s mythische verbeelding. In die “Propolis” wordt bovendien opgeroepen alles als nieuw te bezien, als door het oog van de cycloon. Wel staat in Boek A en boek B – en in de boeken ertussen- veel in het teken van de dystopie en het door marktdenken beknotte werkelijkheidsperspectief. Maar veel staat mijns inziens ook in het teken van de wil precies daaraan te ontsnappen. Alle passages over Jezetha, bijvoorbeeld, en zijn totaal met alle logica-wetten brekende vormen van dood en wedergeboorte, waarbij ook vaak de grammatica ontspoort en het vertelperspectief meervoudig wordt, wat tevens zijn verlangen illustreert naar een “betovertaling der wereld” en “een eigen breindomein”. Maar ook het optreden van Bor Singlecell t/m Europa, misschien een soort alter ego van Jezetha die misschien een alter ego van Herrenberg is. Fascinerend en niet na te vertellen is bijvoorbeeld zijn met videobeelden versterkte totaalperformance waarin hij, met gebruik van eigen jeugdfoto’s en eigenzinnig hergebruikte motieven van Tolkien, tot een soort sublimatie van zijn eigen commerciële sterrendom en zijn eigen innerlijke gespletenheid komt. En als het ware herrijst in een nieuwe, nog onbekende gedaante. Wat wordt ingeleid door een nauwelijks formuleerbaar hoopvol vermoeden: “Een begin van eigen wil en weg, van de kans op nieuw zelfrespect, nieuwe vreugde streek de dichter bevreemdend door zijn wezen…..”.

Ook significant vind ik uitroepen als “Er is een AL in mij, vol van Iets, ik voel het bonzen en bewegen, preverbaal, maar het geeft zichzelf, zijn enorme vorm, zijn vertigineuze details, nog niet prijs *zucht*. Ja, mijn hardste, meest geconcentreerde taalwil en horizontaalste bezwangeringsweg zullen vreselijk moeten paren voor die wereldbaring”. Ook hier weer een vermoeden, “preverbaal” en dus nog niet in taal te formuleren, maar wel existentieel urgent vanwege de onmisbare belofte die het inhoudt. En volgens mij staat heel “Nederhalfrond” in het teken van die belofte. Door zijn veelvoud van elliptische verhalen, waardoor een pluriforme en polyfone wereld ontstaat die zich maar langzaam en slechts zeer ten dele ontvouwt, zodat er altijd de suggestie blijft bestaan van een ongrijpbaar betekenis-surplus. Door de vreemde vorm, met een “Boek Nul” tussen de boeken A en B, en de dystopische fantasie van Hoefbeek als ingebed verhaal in een dystopisch raamverhaal: alsof dit boek niet over één fictieve werkelijkheid gaat, maar over minstens twee, en via die twee over een derde: het Nederland dat wij denken te kennen. Alleen al door de duizeling van die (minstens) drie werkelijkheden voel ik mij, bij benadering, als in het oog van een cycloon. En dat wordt nog orkaankrachtig versterkt door Herrenbergs taal, die – zoals ik hierboven heb getracht te laten zien- alle registers bespeelt, en daardoor de polyfonie en pluriformiteit door alle grenzen heen laat breken. Precies daardoor wordt die taal, in mijn beleving, “een magisch heelal van deuren”. Het taalbouwsel van “Nederhalfrond” is, naar mijn idee, bewust onbevattelijk polyfoon, en roept, anders dan boeken die in zichzelf compleet lijken te zijn, het gevoel op van iets onuitputtelijks dat zich niet in een boek laat vatten. En dus ook niet in onze al te eenvormige conventies, of in de beknotte wereld waarin marktdenken hoogtij viert.

Ik vond het dystopische “Nederhalfrond” dus ongelofelijk inspirerend en enthousiasmerend, door de felle flikkeringen en sprankelingen van zijn taal, stijl en vorm. Twee weken lang was ik helemaal ondergedompeld in dit leesavontuur, en dat liet mij niet onberoerd: heel even dacht ik zelfs dat mijn al te aangepaste burgermannenoog een klein beetje kijken kon als het oog van een cycloon. Wat ik over een paar jaar weer hoop te ervaren, als het afsluitende tweede deel “Opperhalfrond” verschijnt: dat zal ik gretig lezen, en daarna lees ik de hele cyclus “Door het oog van de cycloon” weer opnieuw!

Reacties op: Een adembenemend leesavontuur

3
Nederhalfrond - Johan Herrenberg
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 24,99 Bestel het e-book € 12,99
E-book prijsvergelijker