Lezersrecensie
Had de ooggetuige het graag anders gezien? Had hij het anders kunnen zien?
Ernst Weiß (1882 – 1940) is een minder bekende Duitstalige schrijver van de generatie Stefan Zweig, Thomas Mann en Joseph Roth. Net als zijn bekendere collega’s werd hij gedwongen om te vluchten voor de Nazi’s in de jaren dertig. Via een tijdelijk verblijf in Praag kwam Weiß in 1934 in Parijs terecht waar hij in 1940 uit het leven stapte. In zijn deels autobiografische roman “De ooggetuige” besteed hij veel aandacht aan het leven van een politiek vluchteling in de jaren dertig van de vorige eeuw. “De ooggetuige” hoort dan ook tot de zogenaamde Exil literatuur. Het meest in het oogspringede deel in deze roman gaat over de periode waarin de niet nader genoemde Ik-verteller psychiater was van de slechts met de initialen A.H. genoemde oud strijder uit de Eerste Wereldoorlog. Door middel van hypnose hielp de psychiater A.H. af van zijn tijdelijke blindheid. De ik-verteller/Weiß stelt tijdens het schrijven van de roman in 1936 meerdere keren de vraag of hij als arts deze patiënt wel had moeten helpen, kijkend naar wat er onder leiding van A.H. allemaal werd gedaan door de Nazi’s in die jaren.
De roman begint met de jonge jaren van de Ik-verteller. Hij groeit op als enigst kind. De relatie met zijn ouders is gecompliceerd net als de relatie tussen de ouders. Zijn moeder houdt wel van hem, maar heeft een onhandige manier om deze liefde te uiten. Zijn vader is een in zichzelf gekeerde ingenieur die in de loop der jaren aan lager wal geraakt en ook steeds antisemitischer en nationaalsocialistischer wordt. De ik-verteller is geen antisemiet of nationaalsocialist, sterker nog hij voelt zich al op jonge leeftijd aangetrokken tot de Joodse dochter van zijn huisarts. Pas vele jaren later zullen zij geluk in elkaars armen vinden. Na zijn studie medicijnen gaat hij in militaire dienst. De Eerste Wereldoorlog is in volle gang. Tegen het einde van deze oorlog is hij werkzaam als arts-psychiater in een reservelazaret, waar hij soldaten die net zijn teruggekeerd van het front behandelt. Een van zijn patiënten is de al eerder genoemde A.H.. Dit zorgt voor een medisch ethisch dilemma bij onze psychiater.
“Hij was weerzinwekkend, maar hij had het recht weerzinwekkend te zijn. Ik mocht mij niet voor of tegen hem uitspreken. Ik was zijn rechter niet. Ik had de keuze mij van de fanaticus te ontdoen, of hem met alle mij ten dienste staande middelen van zijn ziekte te genezen, en te hopen dat de tijd de grote energie van deze man allengs in betere, humanere banen zou leiden” (blz: 138).
Hij besluit om A.H. te helpen en boven verwachting lukt het hem om A.H. door middel van hypnose te genezen van zijn door psychische oorzaken ontstane tijdelijke blindheid. Op dit punt aangekomen in “De ooggetuige” verandert het boek van een goede niet al te vrolijke ontwikkelingsroman in een intrigerende psychologische roman waarin twee karakters strijden met elkaar en met zichzelf over wat moreel juist handelen is versus wat de beste opportunistische overlevingsstrategie is. Voor de ik-verteller wordt het een lijdensweg met gevangenneming, foltering, vluchten, armoede, twijfels en depressie. Voor A.H. wordt het een weg naar het absolute leiderschap gekenmerkt door haat, massapsychose, wraakgevoelens en minderwaardigheidscomplex.
Weiß schreef “De ooggetuige” tussen 1934 en 1936 in Parijs. Hitler moest zijn grofste misdaden nog plegen. Wij, hedendaagse lezers, weten wat er nog komen gaat en hoe het afloopt. Weiß en tijdgenoten konden alleen maar vermoeden wat er nog komen zou. Dat maakt het lezen van “De ooggetuige” zo ongemakkelijk. Weiß laat karakters aan het woord die zeggen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen, Weiß/de ik-verteller leeft grotendeels tussen hoop en vrees over wat Hitler hem en de rest van Europa nog aan zal doen. Het is schrijnend om te moeten constateren dat er te veel paralellen zijn tussen wat er in die jaren in Nazi Duitsland gebeurde en wat er vandaag de dag in verschillende westerse landen gebeurt. Het autoritaire, de haat voor andersdenkenden, de wil om ‘anderen’ buiten de samenleving te plaatsen, het onderuithalen van democratische processen, het onvoorwaardelijk volgen van een politiek leider. Het lijstje met overeenkomstige tendensen tussen toen en nu is helaas te groot. De ik-verteller blijft dan ook tot het einde van de roman worstelen met het ethische dilemma of een arts een (vermoedelijk/waarschijnlijk) moreel slecht mens wel had moeten genezen.
Dit dilemma wordt nog gecompliceerder wanneer we “De ooggetuige” lezen naast bijvoorbeeld Erich Maria Remarques “Van het westelijk front geen nieuws” (1929), “De weg terug” (1931), “Drie kameraden” (1938) of Virgina Woolfs “Mrs Dalloway” (1925). Deze romans bevatten een expliciete kritiek op de tekortschietende geestelijke gezondheidszorg voor veteranen van de Eerste Wereldoorlog. “De ooggetuige” is een van de weinige tussen de twee wereldoorlogen geschreven romans waarin een oorlogsveteraan wel goede geestelijke gezondheidszorg krijgt en de patiënt ook nog eens geneest van zijn kwaal. Het ontbreken van goede geestelijke gezondheidszorg zorgt bij een aantal van de door Remarque opgevoerde veteranen er voor dat zij een 15-20 jaren na de Eerste Wereldoorlog vol overtuiging het geweld en de haat van Hitler verheerlijken. Helaas is “De ooggetuige” nooit onderdeel geweest van het (literaire) debat over geestelijke gezondheidszorg voor oorlogsveteranen, omdat de roman pas in 1963 voor het eerst werd gepubliceerd. De eerste Nederlandstalige vertaling door W. Wielek-Berg kwam uit in 2007. In 2013 gevolgd door een herziene vertaling door Frank Schuitemaker.
“De ooggetuige” is allesbehalve een gemakkelijk boek. Het stelt de lezer meer (ethische) vragen dan dat het antwoorden geeft. Vragen die tot op de dag van vandaag relevant zijn en waar we nog steeds geen eenduidige antwoorden op hebben. Dat is ook wat “De ooggetuige” zo’n boeiende roman maakt en ‘verplichte kost’ zou moeten zijn voor een ieder met belangstelling voor zowel de geschiedenis van het Europese Interbellum en/of de literatuur uit die periode. Ik ben heel terughoudend met het gebruik van de terminologie, maar “De ooggetuige” is een vrijwel ‘onbekende literaire klassieker’ die veel meer lezers verdient.