Lezersrecensie
Autobiografie van een sympathieke aftakelende alcoholist
Met “Het verloren weekend” publiceerde de Amerikaanse auteur Charles Jackson (1903 – 1968) in 1944 één van de standaardwerken in het sub-genre van de alcoholistische autobiografie. Dit tot groot chagrijn van onder andere Malcolm Lowry die al een aantal jaren bezig was met het schrijven van “Onder de vulkaan” dat in 1947 zou verschijnen. Samen met “Teder is de nacht” uit 1934 van F. Scott Fitzgerald komen deze drie romans steeds terug in (Amerikaanse) artikelen over en lijstjes met romans waarin alcoholisme het centrale thema is. In ons taalgebied is “Het verloren weekend” lang niet zo bekend en wordt niet zo veel gelezen als de andere twee genoemde romans en dat heeft onder andere te maken met het feit dat “Het verloren weekend” al in 1945 werd verfilmd en de eerste Nederlandse vertaling pas in 2014 in vertaling van Johannes Jonkers verscheen.
Het verhaal speelt zich af begin oktober 1936 in Manhattan New York over een periode van vijf dagen. De 33 jaar oude schrijver Don Birnam besluit op het laatste moment niet mee te gaan met zijn broer, bij wie hij inwoont, voor een lang weekend op het platteland. Het besluit om alleen in New York te blijven heeft alles te maken met zijn alcoholisme. Birnam doet daar ook niet moeilijk over, hij praat zijn alcoholisme niet goed, koketteert niet met zijn excessieve drankgebruik, zoekt geen excuses, doet niet aan zelfmedelijden of zelfbeklag en heeft ook niets met allerlei (pseudo-) Freudiaanse verklaringen en rechtvaardigingen voor de oorzaken van alcoholisme. Dit afzetten tegen al die alcoholisten (en hun naasten) die dit allemaal wel doen is een terugkerend element, om niet te zeggen een rode draad in “Het verloren weekend”. Birnam/Jackson gaat zelfs zo ver door op pagina 66 te schrijven dat niemand is geïnteresseerd in het zelfbeklag van een schrijvende alcoholist en verderop in “Het verloren weekend” geeft hij aan dat persoonlijke frustraties, (jeugd) trauma’s en dergelijke geen (Freudiaanse) rechtvaardiging (mogen) zijn voor zijn alcoholisme.
In wat grotendeels één lange monoloog is, vertelt Birnam afwisselend tegen zichzelf of een ingebeelde lezer/toehoorder over zijn alcoholisme. Dat hij zich daarbij niet altijd aan zijn bovenstaande kritieken op alcoholisten houdt dat beseft Birnam terdege. Op deze momenten is de roman het best, Birnam in kennelijke staat maar daardoor ook op momenten uiterst lucide die zichzelf letterlijk en figuurlijk in een spiegel bekijkt en vragen stelt. Veel vragen, waarop hij vaker niet dan wel een antwoord heeft. De antwoorden die hij wel heeft zijn wrang en ontnuchterend (hoe flauw is deze woordgrap niet?). Het is zelfanalyse door middel van zelfdestructie. Wanneer Birnam niet met zichzelf bezig is dan is hij op zoek naar drank of geld om drank te kopen en struint hij heel Manhattan af voor een fles sterke drank. In de vijf dagen dat we Birnam volgen takelt hij steeds verder af, iets waar hij zich goed van bewust is, maar hij kan én wil niet anders. Hij zou het wel kunnen als hij het zou willen en als hij het zou willen dan kan hij van de drank afblijven, maar kunnen en willen zitten elkaar in de weg bij Birnam.
Het sterke van “Het verloren weekend” is dat Jackson zich grotendeels weet te houden aan de uitgangspunten als geen gekoketteer, geen (pseudo-) Freudiaanse rechtvaardigen enzovoorts. Hierdoor wekt Jackson geen sentimenteel medeleven op met Birnam en dat is alleen maar goed, omdat Birnam ook weinig tot geen medeleven heeft met zichzelf en dat ook helemaal niet wil. Het klinkt misschien als een contradictie, maar juist door het gebrek aan sentimenteel medeleven wordt de sympathie voor Birnam alleen maar groter met het verstrijken van de dagen waarin hij steeds verder aftakelt.