Lezersrecensie
Mooie inkijk in arbeidersklasse van Parijs een eeuw geleden
In de Franse Reeks van Uitgeverij Vleugels verschijnen, al weer zo’n tien jaar, met grote regelmaat vertalingen van minder bekende (klassieke) Franstalige poëzie en fictie. De vertalingen zijn van de hand van gelouterde en gelauwerde vertalers. Het vertaalde werk is of minder bekend werk in ons taalgebied van bekende auteurs of om werk van auteurs die bij ons nooit echt zijn doorgebroken, maar in de Franse literatuur(geschiedenis) wel bekend zijn. Een van die bij ons nooit doorgebroken auteurs is Eugène Dabit (1898 – 1936). Hij is in Parijs geboren in een arbeidersmilieu. Na de Eerste Wereldoorlog wijdt hij zich, met steun van zijn ouders, aan de kunsten. Hij begint met de schilderkunst, maar in 1925 stapt hij over op de letteren. Al vrij snel wordt zijn literaire talent herkend door dan al gevestigde auteurs André Gide en Roger Martin du Gard. “Hôtel du Nord” uit 1929 is zijn literaire debuut dat goed wordt ontvangen door (literaire) pers en het lezerspubliek. Niet dat de roman direct een bestseller of een ‘instant classic’ wordt, Dabit wordt wel direct gerekend tot de schrijvers die er toe doen in het links progressieve culturele Franse milieu. Tijdens een veelbesproken reis in 1936 samen met onder andere André Gide en Louis Guilloux naar de Sovjet-Unie wordt Dabit ziek en overlijdt hij in een ziekenhuis in Sebastopol. De Nederlandstalige vertaling is van Mirjam de Veth en verscheen in 2020.
Tijdens het schrijven van “Hôtel du Nord” is Dabit letterlijk en figuurlijk dicht bij huis gebleven; zijn ouders hadden in 1923 een gelijkaardig hotel-pension gekocht waar Dabit zo af en toe bijsprong als nachtportier of barman. “Hôtel du Nord” is dan ook een sympathieke, mee- en inlevende portrettengalerij geworden waarin uitbaters en gasten afwisselend per hoofdstuk het centrale personage zijn. Het hotel-pension ligt in de noordelijke rand van Parijs in een industrialiserende zone Het hotel-pension wordt bewoond door arbeiders, gepensioneerden, artiesten en allerlei andere mensen die net wel net niet aan de onderkant van de samenleving moeten zien rond te komen. Materiaal genoeg om er een rauwe (naturalistische) roman van te maken in de traditie van Emile Zola en dat is precies hetgeen wat Dabit niet doet. Zoals gezegd kiest hij ervoor om vanuit een mee- en inlevende houding een serie van korte hoofdstukken te schrijven waarin iedere keer een andere gast, personeelslid of eigenaar van het hotel-pension centraal staat waarbij Dabit zeer zeker oog en aandacht heeft voor het grote en kleine leed van de leden van de arbeidende klasse.
De roman begint met het Emile en Louise Lecouvreur die op het punt staan om het Hôtel du Nord te kopen. Hun zorgen om voor het eerst in hun leven als eigen baas te gaan werken, hun ambities om van het ietwat verlopen hotel weer iets fatsoenlijks te maken, het verhuizen naar een ander deel van de stad dat ze zo goed als niet kennen; het zijn deze kleine dingen die Dabit onder het voetlicht brengt. Na de Lecouvreurs is het kamermeisje Renée die de meeste aandacht krijgt van Dabit. Als jonge vrouw is Renée naar Parijs getrokken van het platteland, een lief opgescharreld in Parijs, zwanger geworden, lief verlaat zwangere vriendin, ongehuwd moeder: een verhaal dat al honderden keren verteld is. Het gaat dan ook niet zozeer om de levensgeschiedenis van Renée, of die van de andere gasten, maar om de wijze waarop Dabit het verhaal verteld en dat is met compassie zonder dat het meelijwekkend, sentimenteel of zoetsappig wordt. “Hôtel du Nord” is zo een mooie en realistische inkijk geworden in het leven van een deel van de arbeidsklasse in het industrialiserende Parijs in de jaren twintig van de vorige eeuw.