Lezersrecensie

Amorele brievenroman van militair strateeg


Cies Cies
5 mrt 2020

Met het schrijven van “Les liaisons dangereuses” had De Laclos (1741 – 1803), volgens de overlevering, als doel een werk te produceren dat voor enige opwinding zou zorgen en ook na zijn dood nog gelezen zou worden. Hij is in deze opzet geslaagd. In de maanden na publicatie in 1782 was het een van de best verkochte boeken in Frankrijk en het wordt tot op de dag van vandaag gelezen.

Om in zijn opzet te slagen maakte De Laclos, beroepsmilitair, twee strategische keuzes. Ten eerste koos hij voor het in die jaren in Frankrijk en daarbuiten erg populaire genre van de brievenroman. Hij was voorafgegaan door onder ander Goethe met “Het lijden van de jonge Werther” in 1774 en Jean Jacques Rousseau met “Julie, ou la nouvelle Héloise” in 1761. In “Julie” geeft Rousseau een morele les aan de lezer. Een moraal die zo’n twintig jaar later in Frankrijk als overdreven hoogdravend idealistisch en irrealistisch wordt beschouwd. Dit zorgt voor de tweede strategische keuze, het moralistisch gedachtegoed van Rousseau en zijn aanhangers belachelijk te maken. “Les liaisons dangereuses” is opgezet als (milde) persiflage van Rousseaus ‘Julie’. Het is daarmee ook een afrekening van De Laclos met zijn eigen vroegere literaire werk die onder andere bestaan uit fictieve memoires van immorele lieden die op latere leeftijd berouw krijgen voor hun zondig gedrag.

Een terugkerend fenomeen bij schrijvers van brievenromans in die jaren is in een voorwoord doen alsof zij niet de auteur zijn maar ze toevallig een stapel brieven in handen hebben gekregen of in opdracht van iemand die anoniem wilt blijven zijn/haar correspondentie publiceren. Zo ook Rousseau in “Julie” en De Laclos in “Les liaisons dangereuses”, met dit verschil dat De Laclos dit spel met de lezer veel doorzichtiger speelt. De Laclos begint met voorafgaande aan het boek een zin te citeren uit Rousseaus voorwoord bij “Julie”: “Ik heb de zeden van mijn tijd gezien en deze brieven gepubliceerd”. Een sympathiek gebaar naar Rousseau op het eerste gezicht. Op de eerste bladzijde van het boek in een zogenaamd voorwoord van de uitgever uit de uitgever zijn twijfels of het wel brieven zijn van echt bestaande personen en het niet allemaal verzonnen is door de auteur/samensteller. “Want sommige van zijn karakters zijn zo verdorven, dat men zich onmogelijk kan voorstellen dat zij in onze tijd hebben geleefd: een tijd waarin de filosofie en de kennis, die wij op alle gebieden hebben verworven, alle mannen, zoals iedereen weet, zo fatsoenlijk en alle vrouwen zo ingetogen en terughoudend hebben gemaakt”. Dit is een eerste voorzichtige steek onderwater in de richting van Rousseau en zijn filosofische vakbroeders. Of is het direct een openlijke aanval op Rousseau, die in ‘Julie’ nog een moreel pleidooi houdt voor individuele authenticiteit en morele autonomie die prevaleert boven de heersende collectieve moraal (de publieke opinie), wanneer slaafs navolgen van de publieke opinie tot zelf verloochening leidt, maar in de jaren na ‘Julie’ steeds meer en meer preuts en bekrompen is gaan voorschrijven tot hoever dan die individuele authenticiteit kan gaan?

Burggraaf De Lamont en markiezin De Merteuil hebben het morele spel door en maken hier handig gebruik van door als ware zij poppen spelende halfgoden die vanaf de flanken van de Olympus hun marionetten laten doen wat zij willen. De Lamont en De Merteuil richten zich in de ene brief op het ‘hart’ en in de volgende brief op het ‘hoofd’ van de correspondent(e), de ene keer doen ze een beroep op het oordeel van de publieke opinie om zich in de volgende op de individuele authenticiteit te richten. Alle brievenschrijvers, ook de Lamont en De Merteuil, gebruiken termen als liefde, geluk, vrijheid alsof ze weten wat deze termen betekenen. Op deze manier zet De Laclos ook zijn lezers in hun hemd, want zijn doen ook niet anders doen dan het ‘papegaaien’ van de filosofen zonder zelf te hebben doordacht wat deze woorden en zinsneden betekenen en welke praktische consequenties al deze (filosofische) theorieën hebben. Een mooi voorbeeld hiervan staat in een brief van markiezin De Merteuil aan de nog jonge ridder Danceny wanneer ze hem vermanend schrijft: “Waarde vriend, wanneer je mij schrijft, dan wil ik graag horen wat je denkt en voelt, maar wil ik geen praatjes lezen die ik, zonder jouw hulp, even goed of even slecht in de eerste de beste hedendaagse roman kan vinden”.

Brief na brief toont De Laclos aan hoe ridicuul de morele en moralistische opvattingen van Rousseau en zijn aanhangers zijn en hoe slecht deze opvattingen worden begrepen door lezers van Rousseau en De Laclos. “Les liaisons dangereuses” is dan ook geen immoreel boek, het is amoreel. Laclos onthoudt zich van morele waardeoordelen, maar toont ‘slechts’ aan wat er gebeurt wanneer mensen zich aan welke morele ‘wet’ dan ook houden en hoe paradoxaal deze ‘wetten’ en principes zijn, wanneer deze klakkeloos worden opgevolgd. Dat alleen is nog niet genoeg om een boek te schrijven dat generaties later nog steeds boeit. De Laclos weet het ook nog eens op een hele subtiele, licht ironische, wijze te beschrijven waardoor je als lezer na het lezen van een brief direct benieuwd bent wat het antwoord zal zijn van de ontvanger van de brief en je afvraagt wat zou ik doen in zo’n situatie.

Reacties

Meer recensies van Cies

Boeken van dezelfde auteur