Lezersrecensie
Een oprechte idealist
'Hotelmens. Reportages en brieven' joeg mijn bewondering voor de virtuositeit van de menslievende schrijver-journalist Joseph Roth nogmaals de hoogte in. Zelfs de beste wijn verbleekt bij het savoureren van prozastukjes als 'De portier' of 'De oude kelner'. Geen champagne parelt zo zuiver en subtiel als Roths taal.
Vanaf zijn achttiende wordt Roth een hotelmens, zijn hele hebben en houden draagt hij mee in drie koffers. Hij verblijft nergens lang genoeg om geen vreemde meer te zijn. Roth betrekt kamers die sober genoeg zijn om er makkelijk afscheid van te kunnen nemen, en toch houdt hij van de weemoed die het vertrekken telkens opnieuw oproept.
In dit boekje observeert en typeert Roth het personeel in zijn lievelingshotel: de portier, de kok, het dienstmeisje, de oude kelner, de patron. Voor elk van hen richt hij een standbeeld op, hij vereeuwigt hen binnen de context van hun beroep. Roth voelt zich op een sentimentele manier aangetrokken tot de kleine man die bevelen ontvangt en altijd maar moet gehoorzamen. Voor de grote heren die bevelen en zich vaak gedragen als schoften, koestert hij wel een literaire sympathie, maar hij slaagt er zelden in om objectief over hen te schrijven.
De wondermooie beroepsportretten in 'Hotelmens' zou ik wel honderd keer kunnen herlezen en het zou telkens weer een nieuwe ontdekking zijn. Geniet u even mee van een fragment uit 'De portier':
'Uiteindelijk begint hij zich over dat nietsdoen te schamen voor de liftboys, die samenklitten en in wie zich jeugdige overmoed zou kunnen gaan roeren, en uit morele overwegingen bedenkt hij een paar hoogst overbodige bezigheden die tot voorbeeld moeten strekken. Zo haalt hij een zwaar gouden horloge uit zijn vestzak en vergelijkt het met de elektrische wandklok, die met haar grote, witte, ronde aangezicht als een vaalzilveren hotelmaan, opgehangen aan twee grof gevlochten kettingen, de dromerige namiddagzon doorbreekt. Het is zo stil dat men de grote wijzer bij elke minutensprong hoort kreunen en dit geluid krijgt in deze stilte iets menselijks. De portier blijft lang op de klokken kijken alsof hij een van beide op een afwijking van een seconde wil betrappen. Dan stopt hij met een teleurgestelde blik, een visuele verzuchting, het horloge weer in zijn zak. Hij legt twee grote boeken zo op elkaar dat hun ruggen precies lijnen, hij schuift de telefoon naast de inktpot, rolt met zijn vlakke hand de pennenhouder in het daarvoor bestemde kuiltje, blaast een denkbeeldig stofje van de tafel, staart naar een loszittende knoop aan zijn mouw en draait hem een paar keer rond om zeker te zijn dat hij er vandaag nog niet af zal vallen. Niemand durft hem te storen tijdens dit haast stemmige moment.'
De brieven die Roth in het tweede deel aan zijn literaire vriend en beschermheer Stefan Zweig schrijft, doen zijn aura wel enigszins verbleken. Het persoonlijke verhaal van een schrijver mag volgens mij echter geen afbreuk doen aan de literaire kwaliteit van zijn werk. Roth toont zich in zijn brieven zwak als mens, maar in zijn reportages is hij een oprechte idealist. Daarin schrijft hij kritisch maar gaat nooit onder de gordel. Hij bedrijft ironie op haar mooist, op een goudeerlijke manier én nimmer zonder diepe genegenheid voor zijn medemens. Roth schrijft waardig als journalist en dat siert hem.