Advertentie

Reichsburg, november 1950. Kurt Victor Karl Kutschfeld, eenenvijftig jaar oud, ontsteekt de lantaarns in zijn hoedanigheid als straatlichtbewaarder. Hij kijkt terug op zijn verleden en vraagt zich af welke levens hij heeft laten liggen. Zijn alter ego zal hem daarbij helpen.

“…eindelijk realiseerde hij zich dat hij zou sterven zonder religie en dat hij wellicht nu juist daarover ietwat religieus was geweest.”

Drie generaties later. Terwijl Vader en Moeder zijn gaan tennissen, stoken Victor en Benjamin Kutschfeld een vuurtje achterin de tuin van hun Haagse woning. Als het vuur niet wil vlammen ‘zoals dolfijnen’, krijgt de tienjarige Victor een idee: het portret van zijn overgrootvader, dat enge masker in de gang dat door het huis spookt. Samen met twee vriendjes verwijderen zij het portret van Kurt Victor Karl Kutschfeld, slepen het mee naar buiten en gooien het op het vuur. Als de ouders thuiskomen, krijgt Victor een flink pak rammel van Vader, bij het ontbijt de dag daarna snoert Moeder de jongen vast met een sjaal aan zijn keukenstoel.

“Nu Victor opkeek naar de afwezigheid (EW: van het portret) kwam het toch meer op hem over als een gapend gat.En hij wist dat het aan hem was om het gat te dichten. Dicht te gooien met verhalen. Verhalen die zo tot de verbeelding spraken dat een schilderij niet nodig was: Vaders grootvader zou een niet meer weg te denken persoon in de herinnering van de familie worden. De verhalen, die zouden Vaders opa vormen, het schilderij zou slechts een matige afspiegeling zijn.”

Opa Gerhard Kutschfeld, zoon van de straatlichtbewaarder, verblijft in Reichsburg en is der dagen zat. Met behulp van zijn zoon in Den Haag wil hij in Nederland euthanasie laten plegen. Als de vader van Victor bij het stadhuis de benodigde papieren wil verzamelen, blijkt dat zijn vader officieel in 1945 al is overleden. Langzaam maar zeker ontsluit zich een verleden waarvan hij geen weet heeft gehad, een geschiedenis die zijn leven doet kantelen.

‘De slaap die geen uren kent’ is een vervreemdend boek. Niet alleen omdat het heen en weer springt in de tijd (van 1950 en heden), maar door de vele vreemde namen van de Reichsburgse stedelingen vlak na de oorlog. Chabot speelt met namen, wat op zeker moment gaat irriteren: “Meneer Sommerbrandt, Hoofd Sneeuw in Reichsburg en Omstreken, die altijd koude handen had.” “Meneer Unterrichter, Hoofd Politie van Reichsburg en Omstreken.” “Dokter Kleinenleedt.” De lulpraatjes die gevoerd worden tussen ambtenaren en burgers, kleine ondernemers en hun klanten, hadden meer beperkt mogen worden. Eén keer is leuk, maar meerdere confrontaties met dit geneuzel verveelt. Anderzijds komt de auteur met verrassende vondsten, zoals voorwerpen die emoties vertonen:

“Meneer Kutschfeld schuifelde half struikelend terug over de stoïcijnse stenen van het perron.”
“Achter het huis keerde de tuin zich binnenstebuiten en wendde zich stilletjes tot zijn innerlijke donkerte.”
“De magere berk verwijderde zijn slecht zittende pruik en verwelkomde de ziekte zoals de ziekte zich aan hem voorstelde.”

Af en toe schrijft Chabot prachtig beeldend:

“Op de onderkin van de maan na was de gehele lucht gelig ingezeept met sneeuwwolken; het kon nu niet lang meer duren voordat er een scheermes langs het hemelblad zou worden gehaald, de plukken wolk zouden loslaten en het zou gaan sneeuwen, en zwaar zou gaan sneeuwen.”

De details en verbanden in ‘De slaap die geen uren kent’ komen het beste tot hun recht na tweede lezing. Dan weet je welke passages je beter kunt overslaan en bij welke je langer moet stilstaan. Het is zonder meer een knap debuut!

Reacties op: Knap debuut met kartelrandjes

77
De slaap die geen uren kent - Sebastiaan Chabot
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners