Historische speurtocht in onze tijd
Verhalen van Ian McEwan zijn zelden ondubbelzinnig of makkelijk te vangen. Dat geldt ook voor Wat we kunnen weten, een spannende en gelaagde roman over liefde, menselijke relaties en tekortkomingen, historische overlevering, troebele moraal, de zoektocht naar een gedicht en hoe goed we elkaar werkelijk kennen. Het leest als een reflectieve en historische speurtocht door onze tijd. Met een fascinerende blik op de toekomst.
In Wat we kunnen weten vertelt Tom Metcalfe, universitair docent aan de University of the South Downs, anno 2119 over zijn zoektocht naar hét verloren gedicht van de Britse dichter Francis Blundy: 'Een lauwerkrans voor Vivien'. Dit kroongedicht van vijftien sonnetten voor zijn jarige echtgenote is volgens de overlevering een ode aan liefde en natuur, én een alarmbel voor klimaatverandering. Nadat Blundy het in 2014 één keer heeft voorgedragen tijdens een intiem thuisdiner is het onvindbaar en verworden tot een mythe.
Via dat etentje voor Vivien’s vierenvijftigste verjaardag opent McEwan (1948) zijn vijftiende roman als een detective à la Christie. Dat met een literaire knipoog genoemde ‘Tweede gastmaal der onsterfelijken’ brengt alle betrokken personages aan tafel bijeen op wat later een soort cultureel plaats delict zou worden. Elk met hun eigen levens en onderlinge liaisons waren zij de enige in de geschiedenis die het gedicht zouden horen en kennen. En gelegenheid hadden het zoek te maken.
Het leuke aan Wat we kunnen weten, dat heerlijk vertaald is door Harm Damsma en Niek Miedema, is dat we archiefmateriaal zijn geworden. Om het gedicht terug te vinden, spit Metcalfe in honderd jaar oude bronnen, die juist onze dagelijkse realiteit zijn. Sociale posts over wat we vandaag eten zijn een eeuw later geschiedkundig materiaal geworden: een gedachte om met glimlach even bij stil te staan.
In die historisch zoektocht ligt de maatschappij tussen 1990 en 2030 onder de loep, vol kleine en puntige observaties. Zo staat vermakelijk de meewarige ontvangst van e-mail beschreven in de trant van onze huidige beleving van de komst van de radio. Geraffineerd speelt McEwan daarbij met de vraag hoe de geschiedenis deze, onze tijd zal bezien en beoordelen. En laat hij ons zo naar onszelf kijken.
In de ontrafeling van het mysterie laat de auteur met de nodige – soms cynische - humor een kritische blik over onze maatschappij gaan. Met een mengeling van enig dedain en vergevingsgezindheid kijkt Metcalfe naar ons nu. Al klinken in zijn collegezaal ook andere stemmen over de ‘stupiditeit van de mensen uit die tijd’: “de opwarming die genegeerd werd en zo, hun stompzinnige oorlogen, de dieren die ze doodmaakten, het belang dat ze aan huidskleur hechtten”.
Anno 2119 is het overigens niet veel beter. In die wereld, die McEwan beeldend en geloofwaardig tot leven brengt, staat Groot-Brittannië door zeespiegelstijging goeddeels onder water. Het is veranderd in een archipel van grote en kleine eilanden en op het wereldtoneel geen speler van belang meer.
Metcalfe glijdt in zijn verhaal soepel tussen - zijn - boeiende heden en verleden. Tussen zijn ergernissen over ongeïnteresseerde studenten, eigen liefdesbesognes en zijn almaar groeiende genegenheid voor Vivien. “Maar het was dezelfde beek, en zij had hier ooit naar staan kijken, zoals ik er nu naar keek. Dat onze aanwezigheid hier, door de tijd gescheiden, een afzonderlijke werkelijkheid vormde, was de kern van mijn obsessie (…).”
McEwan’s liefde voor taal en literatuur klinkt zoals in zijn eerder romans overal. Van zijn gedetailleerde vertelstijl en literaire verwijzingen tot in de colleges, waarin de docent van de toekomst de continuïteit van taal beziet als vehicle om door de barrières van de tijd heen te breken. Nonchalante verwijzingen naar (fictieve) bronnen als e-mails, brieven en nieuwsberichten staven zijn reconstructie en conclusies tot een soort biografie van de Blundy’s en van Vivien’s gevoels- en liefdesleven in het bijzonder.
Het dilemma dat McEwan daarbij zijdelings opwerpt, is hoe dicht iemand via tekst en bronnen tot de kern van een ander kan komen. Want hoe open en eerlijk is iemand over zijn ware gevoelens en ambigu liefdesleven naar anderen en het papier toe? Hoe grondig ook, een biografie is en blijft een benadering, zo lijkt het. Aannames en eigen inkleuring vertroebelen en voeden dwaalsporen weg van de ware toedracht.
Zoals dat hoort bij een speurtocht bewaart McEwan de ontknoping tot het allerlaatst. Door Wat we kunnen weten in twee delen op te bouwen, geeft hij daarbij een lekkere en onverwachte twist aan het plot. De rijkheid van het verhaal en de sublieme verwevenheid van de thema’s en personages maken van de roman een boeiend avontuur, dat tegelijk een spiegel voor onszelf is.
Reageer op deze recensie
