Lezersrecensie
Intussen, zomaar ergens...
Samuel Beckett, Ier in Frankrijk destijds, schreef Wachten op Godot als toneeltekst met regie-aanwijzingen in het Frans. En vertaalde die in 1954 naar het Engels.
Schrijfster en vertaalster Jacoba van Velde vertaalde de tekst in 1965 uit het Frans naar het Nederlands.
Over Godot zelf kom je niet heel veel te weten; hooguit dat hij bij monde van een schuchtere boodschappenjongen dagelijks laat weten vandaag verhinderd te zijn, maar morgen zeker gaat komen.
Het gaat in dit stuk in twee bedrijven dan ook om het wachten zelf, en om hoe de wachtenden hun tijd doorkomen. Al kunnen die uiteraard niet om Godot heen:
‘(..) Wat doen we hier, dat moeten we ons afvragen. Wij zijn zo gelukkig het te weten. Ja, in deze ontzaglijke verwarring is één ding helder; we wachten op Godot.’
In het eerste bedrijf treffen twee mannen zonder vaste woon- of verblijfplaats elkaar, net als gisteren, en net als al zovele dagen daarvoor, in een schamel decor met een kaal boompje.
De conversatie tussen beiden; de zwaarmoedige Estragon en de meer beschouwelijke Vladimir, neemt een hun tijd verdrijvende wending wanneer meneer Pozzo en diens door hem op de markt verderop te verkopen lijfeigene, Lucky, zich bij hen komen verpozen.
- ‘(..) De hoeveelheid tranen op de wereld is onveranderlijk. Voor ieder die begint te huilen, houdt ergens een ander op. Precies zo is het met het lachen. [Hij lacht.] Laten we daarom niets kwaads zeggen van onze tijd, hij is niet ongelukkiger dan de voorgaande. [Pauze.] Laten we er ook niets goeds van zeggen. [Pauze.] Laten we er niet over praten. [Pauze.]’ -
Het tweede bedrijf; een nieuwe dag, misschien wel lente: de boom heeft inmiddels blad, opent niet wezenlijk afwijkend van het eerste bedrijf. En ook nu duiken meneer Pozzo en de kennelijk toch niet verkochte Lucky weer op. Alleen: Pozzo is inmiddels blind, Lucky met stomheid geslagen, en Estragon en Vladimir zijn onveranderd bovenal zichzelf.
- ‘E: Als we eens uit elkaar gingen? Misschien gaat het dan beter. V: Morgen hangen we ons op. [Pauze.] Of Godot moet komen. E: En als hij komt? V: Dan zijn we gered.’ -
‘Het is wat het is’, schijnt Beckett over Wachten op Godot gezegd te hebben. En: ‘als er een diepere betekenis in had moeten zitten, had ik die er wel ingestopt.’
Desalniettemin: de betekenis dié het stuk al dan niet heeft, kan en mag er, als je wil, aan ontleend worden:
‘(..) Laten we iets doen, zolang de gelegenheid zich voordoet. Het komt niet iedere dag voor dat men ons nodig heeft. Ieder ander zou het net zo goed kunnen, waarschijnlijk beter. Het beroep dat men op ons doet is eigenlijk tot de hele mensheid gericht. Maar op deze plaats, op dit ogenblik, zijn wij de mensheid, of wij willen of niet.’
Op 16 april 2024 zag ik Wachten op Godot in de Groninger Schouwburg (regie: Erik Whien) gespeeld worden door Mark Rietman (Estragon), Jaap Spijkers (Vladimir), Bram Coopmans (Pozzo) en Joris Smit (Lucky).
Toegegeven: pas daardoor kreeg die kale, door Beckett waarschijnlijk met veel schrapwerk tot op het bot afgekloven tekst, in mijn ogen ook de kleur die ik er kennelijk in moest willen zien.
Titel: En attendant Godot (1952) | Wachten op Godot (1965, 103 pag.)
Auteur: Samuel Beckett (1906 - 1989)
Vertaler: Jacoba van Velde (1903 - 1985)
ISBN: 9789403185507
Uitgever: De Bezige Bij
Schrijfster en vertaalster Jacoba van Velde vertaalde de tekst in 1965 uit het Frans naar het Nederlands.
Over Godot zelf kom je niet heel veel te weten; hooguit dat hij bij monde van een schuchtere boodschappenjongen dagelijks laat weten vandaag verhinderd te zijn, maar morgen zeker gaat komen.
Het gaat in dit stuk in twee bedrijven dan ook om het wachten zelf, en om hoe de wachtenden hun tijd doorkomen. Al kunnen die uiteraard niet om Godot heen:
‘(..) Wat doen we hier, dat moeten we ons afvragen. Wij zijn zo gelukkig het te weten. Ja, in deze ontzaglijke verwarring is één ding helder; we wachten op Godot.’
In het eerste bedrijf treffen twee mannen zonder vaste woon- of verblijfplaats elkaar, net als gisteren, en net als al zovele dagen daarvoor, in een schamel decor met een kaal boompje.
De conversatie tussen beiden; de zwaarmoedige Estragon en de meer beschouwelijke Vladimir, neemt een hun tijd verdrijvende wending wanneer meneer Pozzo en diens door hem op de markt verderop te verkopen lijfeigene, Lucky, zich bij hen komen verpozen.
- ‘(..) De hoeveelheid tranen op de wereld is onveranderlijk. Voor ieder die begint te huilen, houdt ergens een ander op. Precies zo is het met het lachen. [Hij lacht.] Laten we daarom niets kwaads zeggen van onze tijd, hij is niet ongelukkiger dan de voorgaande. [Pauze.] Laten we er ook niets goeds van zeggen. [Pauze.] Laten we er niet over praten. [Pauze.]’ -
Het tweede bedrijf; een nieuwe dag, misschien wel lente: de boom heeft inmiddels blad, opent niet wezenlijk afwijkend van het eerste bedrijf. En ook nu duiken meneer Pozzo en de kennelijk toch niet verkochte Lucky weer op. Alleen: Pozzo is inmiddels blind, Lucky met stomheid geslagen, en Estragon en Vladimir zijn onveranderd bovenal zichzelf.
- ‘E: Als we eens uit elkaar gingen? Misschien gaat het dan beter. V: Morgen hangen we ons op. [Pauze.] Of Godot moet komen. E: En als hij komt? V: Dan zijn we gered.’ -
‘Het is wat het is’, schijnt Beckett over Wachten op Godot gezegd te hebben. En: ‘als er een diepere betekenis in had moeten zitten, had ik die er wel ingestopt.’
Desalniettemin: de betekenis dié het stuk al dan niet heeft, kan en mag er, als je wil, aan ontleend worden:
‘(..) Laten we iets doen, zolang de gelegenheid zich voordoet. Het komt niet iedere dag voor dat men ons nodig heeft. Ieder ander zou het net zo goed kunnen, waarschijnlijk beter. Het beroep dat men op ons doet is eigenlijk tot de hele mensheid gericht. Maar op deze plaats, op dit ogenblik, zijn wij de mensheid, of wij willen of niet.’
Op 16 april 2024 zag ik Wachten op Godot in de Groninger Schouwburg (regie: Erik Whien) gespeeld worden door Mark Rietman (Estragon), Jaap Spijkers (Vladimir), Bram Coopmans (Pozzo) en Joris Smit (Lucky).
Toegegeven: pas daardoor kreeg die kale, door Beckett waarschijnlijk met veel schrapwerk tot op het bot afgekloven tekst, in mijn ogen ook de kleur die ik er kennelijk in moest willen zien.
Titel: En attendant Godot (1952) | Wachten op Godot (1965, 103 pag.)
Auteur: Samuel Beckett (1906 - 1989)
Vertaler: Jacoba van Velde (1903 - 1985)
ISBN: 9789403185507
Uitgever: De Bezige Bij
1
Reageer op deze recensie
