Advertentie

Onlangs werden drie samenhangende novellen van Peter Handke voor het eerst in een Nederlandse uitgave gebundeld: "Langzame terugkeer" (in herziene vertaling), "De leer van de Sainte- Victoire" (voor het eerst vertaald) en "Kindergeschiedenis" (bestaande vertaling, ooit apart uitgegeven). Ik vond het mooi om deze raadselachtige novellen in één band te hebben, en om ze achter elkaar te kunnen lezen: niet omdat ze elkaar verhelderen, maar omdat ze elkaars raadselachtigheid verdiepen en in perspectief zetten. Die raadselachtigheid en ongrijpbaarheid zal voor veel lezers te groot zijn, en was ook voor mij wel even wennen. Daarnaast hikte ik nogal aan tegen de wel erg plechtige, gedragen stijl, vol Grote en Mythische woorden. Maar ergens halverwege de tweede novelle, "De leer van de Sainte- Victoire" raakte ik helemaal gegrepen. Ook de daaraan voorafgaande novelle "Langzame terugkeer" vond ik met terugwerkende kracht prachtig, vooral toen ik diverse passages weer langzaam herlas. En ook de afsluitende novelle vond ik fraai. Raadselachtig fraai.

De openingszin van de eerste novelle luidt: "Sorger had al enkele hem vertrouwd geworden mensen overleefden voelde geen verlangen meer, maar vaak een onbaatzuchtige bestaanslust en bij tijden wijle een animale, op de oogleden drukkende behoefte aan heil". Dat zijn nou niet direct zinnen die ik meteen snap, al vind ik een term als "onbaatzuchtige bestaanslust" wel meteen heel aansprekend. En de zin wint naarmate je in het verhaal vordert meer en meer aan betekenis. De hoofdpersoon, Sorger, blijkt een geograaf die in Alaska de oerstructuren van de bodem onderzoekt. Bij dat onderzoek doet hij meer en meer afstand van zijn wetenschappelijke kennis. Hij tekent zo nauwkeurig mogelijk de dingen maar laat daarbij alles wat hij meende te weten helemaal los. Ook beschouwt hij op meditatieve wijze de landschappen en bodemstructuren, en bereikt daarbij toestanden van "onbaatzuchtige overgave" en "pure observatie" die zijn blik op die landschappen en bodemstructuren geheel veranderen, en die ook een onvermoede openheid aanboren in zijn eigen hoofd. Door met totale openheid naar de wereld te kijken resoneert die wereld op totaal nieuwe manieren in zijn zintuigen en zijn hoofd; door die resonantie verandert bovendien ook zijn hele ik. Alsof ook hijzelf, en zijn eigen relatie tot de bodem waarop hij staat, totaal verandert door deze meditatieve "onbaatzuchtige overgave": een overgave die volgens mij neerkomt op het jezelf radicaal losmaken van elk eigenbelang, van elk houvast aan conventies, en van het beeld dat je had van je eigen identiteit. Je hoofd verandert door die overgave in een totaal ontvankelijke resonantieruimte, waarin gans onbekende vormen vol van nog niet eerder geziene schoonheid zich ontvouwen: een ervaring die zo overweldigend intens en vreemd is dat ook de beschouwer erdoor verandert.

Zo ongeveer meen ik Sorgers zoektocht, en die van Handke zelf, te kunnen begrijpen. Maar Handke laat bewust elke analyse, argumentatie en verklaring achterwege. Hij kiest ervoor om dit soort ingrijpend- ambigue ervaringen bij benadering voelbaar te maken, in uitgesponnen beschrijvingen vol ambigue beelden. En dat leidt dan tot passages als de volgende: "Aan zijn voeten was de opgedroogde modder van de oever tot heel ver weg opengebarsten in een netwerk van bijna regelmatige veelhoeken (met meestal zes zijden). Terwijl hij de scheuren observeerde, begonnen ze langzaam ook op hemzelf in te werken, ze braken hem echter niet zoals ze dat met de grond deden, maar sloten al zijn cellen (nu pas navolgbare leegte) tot een harmonisch geheel aaneen: iets van het gespleten aardoppervlak sloeg over op de man - iets wat zijn lichaam sterk, warm en zwaar maakte. Terwijl hij roerloos over het patroon stond uit te kijken, stelde hij zich voor een ontvanger te zijn, niet van een bericht of boodschap, maar van een tweevoudige kracht die hij ontving op de beide verschillend geplaatste vlakken van zijn gezicht: op zijn voorhoofd voelde hij ook echt het overdwars liggende bot verdwijnen, en dat alleen doordat hij niets anders meer van plan was dan deze hindernis bloot te stellen aan de lucht; en het vlak onder zijn oogkassen, bijna in een rechte hoek ten opzichte van de aardbodem, kreeg als het ware de nieuwe trekken van een gezicht, met mensenogen en een mensenmond; allebei apart, maar niet door bewustzijn van elkaar gescheiden; en hij had het gevoel dat de welvingen van de gesloten wimpers inderdaad ontvangstschermen waren".

In "De leer van de Sainte- Victoire" volgen we niet langer de tastende ervaringen van Sorger, maar die van een ik- figuur die zich als de schrijver van de eerste novelle presenteert. Een intrigerend dubbelzinnige figuur: het is duidelijk Handke zelf, maar dan zo afstandelijk beschreven dat het eerder een allegorische schim wordt dan een personage van vlees en bloed. En bovendien iemand die lang stil staat bij het werk van Cézanne: de man die maandenlang de top van de Sainte- Victoire schilderde vanuit steeds verschillende perspectieven, om uit te drukken dat elk voorwerp, bekeken vanuit verschillende invalshoeken, van een onuitputtelijke menigvuldigheid is. Cézanne is voor velen een van de eerste grote moderne schilders, omdat hij radicaal brak met het natuurgetrouw 'fotografisch' schilderen van de natuur. In zijn schilderijen vind je geen conventionele afbeeldingen van herkenbare objecten, maar constellaties van kleurenspel en vormenspel waarin naar nieuwe harmonieën en betekenissamenhangen wordt gezocht. Of zelfs een nieuw betekenisvol verband, ontstegen aan de aardse conventies en vormen. Of op zijn minst een landschap dat er totaal anders uitziet dan het landschap dat je meende te kennen, en dus anders dan welk bekend landschap dan ook. En dat is een behoorlijk onthechtende en ontregelende ervaring. Geïnspireerd door Cézanne komt de ik- figuur tot tastende, welhaast religieus klinkende overdenkingen en ervaringen als:" Daar, met die weg en die bomen, stond de wereld open. 'Daar' werd ook elders. De wereld was een vast, dragend aardrijk. De tijd staat eeuwig en dagelijks. Het opene kan, altijd weer, ook ik zijn. Ik moet bestendig zo rustig buiten (in de kleuren en de vormen) zijn".

Ook kijkend naar Cézannes "Le grand pin" (de grote pijnboom) ervaart de ik- figuur die fascinerende openheid: "hij verandert de bodem waaruit hij oprijst in een plateau, en de in alle windrichtingen verdraaide takken en het naaldendek met het veelsoortigste van alle soorten groen brengen de leegte eromheen in trilling". Bovendien heeft de ik- figuur, zelf wandelend en zelf kijkend naar de Saint- Victoire, pure Cézanne-ervaringen, sensaties die hij alleen weer kan geven door te schrijven in een stijl die even anti- conventioneel en open is als de stijl waarin Cézanne schildert: "De berg is al voor Le Tholonet zichtbaar. Hij is kaal en bijna eenkleurig; meer een lichtglans dan een kleur. Soms kun je de lijnen van de wolken verwisselen met hemelhoge bergen: omgekeerd komt de schemerige berg hier op het eerste gezicht over als een verschijnsel van de hemel; waaraan ook de ooit verstarde beweging van de parallel vallende rotsflanken en de in de sokkel horizontaal doorlopende plooien bijdraagt. De indruk ontstaat dat de berg van boven, vanuit de bijna gelijkkleurige ether, omlaag is gestroomd en zich hier heeft verdicht tot een klein massief in het wereldruim. In andere gevallen valt aan ver verwijderde vlakten immers vaak iets merkwaardigs te observeren: die achtergronden, hoe vormeloos ook, veranderen zodra in de leegte ervoor een vogel opvliegt. De vlakten schuiven van je vandaan en nemen tegelijk merkbaar vorm aan; en de lucht tussen het oog en die vlakte wordt stoffelijk. Het overbekende, plaatsgebondene, ook het door de vulgaire namen als het ware objectloos gewordene staat dan opeens op de juiste afstand; als 'mijn object'; met zijn werkelijke naam. Dat gold [ook] hier, waar dit wordt geschreven [...]".

In "Langzame terugkeer" en "De leer van de Sante- Victoire" wordt dus radicaal naar nieuwe vormen van schoonheid gezocht, naar vormen van openheid en ontvankelijkheid die de wereld als nieuw doen oplichten en die ook het eigen ik zeer verruimen. En die schoonheid probeert Handke dan steeds in beelden te vatten die even fascinerend meerduidig en ongrijpbaar zijn als de schilderijen van Cézanne. Ik hou wel van de radicale ambiguïteit van Handkes beelden, en van zijn al even radicale verlangen naar geheel nieuwe vormen van schoonheid en harmonie. Ik waardeer ook de politieke inzet ervan: de vertellers in deze drie novellen zien het Duits als een taal die nog te veel is besmet door het Nazi- verleden, en door allerlei repressieve dan wel gewoon versimpelende denkbeelden van de moderne tijd. Handke en zijn personages zijn kortom doordesemd van wantrouwen tegen hun eigen taal en cultuur en hun vertrouwde wereldbeeld. Handkes personages kiezen ook daarom het vreemde: de oergronden in Alaska, de ons vreemde werkelijkheid in de schilderkunst van Cézanne, of - in "Kindergeschiedenis" - de nauwgezet geobserveerde eigen wereld van een in ongebruikelijke omstandigheden opgroeiend kind. Handke zelf neemt zijn lezer mee in een eindeloze reis langs fascinerend meerduidige, naar mijn smaak soms zelfs hallucinante beelden en beschrijvingen. Drie novellen en 314 bladzijden lang. In een soort Odyssee zonder eindpunt, want bij Handke is er alleen de reis en geen Ithaka. Gelukkig maar!

Reacties op: Eindeloze Odyssee langs meerduidige beelden

1
Langzame terugkeer - Peter Handke
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners