De roman "Leesclubje" van Willem Brakman opent als volgt: "Daar de waarheid een verhalend karakter bezit, dat wel degelijk ook de leugen kan insluiten, begin ik met weloverwogen te vermelden dat het dorp waar ik woonde een prachtig dorp was". Kijk, dat zijn nou van die typische Brakman- zinnen waar ik zo van hou: zinnen waarin wordt benadrukt dat wat je leest pure fictie is en misschien zelfs een leugen, zodat je niet weet of de verteller zijn dorp nou echt zo prachtig vindt of juist niet. Zinnen ook die je meteen binnenzuigen in een totaal maf Brakman- universum vol idiote dubbelzinnigheid. "Leesclubje" is daar tot de nok mee gevuld.

Wat bijvoorbeeld te denken van: "Haar gelaat leek uit dreigende runen opgebouwd, wat nog werd versterkt door de mond, die de kerven voortdurend in beweging hield. Door alle plooien en kloven ging de ene gelaatsuitdrukking niet soepel over in de andere, maar versprong, het was een caleidoscopie der bitterheid alsof ze voor elk van de aanwezigen een speciale vervloeking in petto had". Heel poƫtisch en raak, naar mijn smaak, maar vooral volkomen maf. En wat te denken van de volgende passage, onderdeel van een ongehoord lange en maffe beschrijving van een tragikomisch- klungelige moord: "Niets hielp, integendeel, het ontzagwekkende geschrei steeg als een zuil ten hemel, een hels en hees geloei als van een koe, dat waarachtig zelfs een lichtglans verspreidde. Nooit had ik kunnen vermoeden dat het geluid van de ware doodsnood lichtgevend was, maar dat is zo, een licht fosforescerende gloed koepelde zich over het park, die hem echter noodlottig werd, daar het mij meer overzicht van de situatie verschafte". Mooi en origineel beeld, die schreeuw die een lichtglans verspreidt. Maar dat die lichtglans vervolgens letterlijk een lichtbron is die de moordenaar beter zicht verschaft..... Nou ja, dat is typisch het soort ongebreidelde geouwehoer waar Brakman patent op heeft. En daar smul ik van. Zoals ik ook smul van de passages over Hotel Jonas, dat door zijn naam herinnert aan het verhaal over Jonas in de walvis, en dat vanuit sommige perspectieven ook verdacht veel op een walvisvaarder lijkt. Een hotel als een schip, dat ons zomaar via barokke associaties meevoert in de avontuurlijke werelden van Jonas in de walvis en van Moby Dick ..... Wat een pret! Zou het trouwens toeval zijn dat de gastvrouw van dat hotel walvisachtig dik is? Zou het toeval zijn dat Melvilles Moby Dick een monsterachtig witte walvis is, van een witheid die doordesemd is van meerduidige symboliek, en dat de verteller vaak zo uitweidt over de eveneens zo symbolische witheid van zijn geliefde maar gestorven Edie?

Ook het verhaalverloop van "Leesclubje" is heerlijk ontregelend. Een oudere en naamloze heer, die zichzelf presenteert als muzisch en belezen mens maar zich vooral ontpopt als een ongeremd associƫrende en aanstekelijk fabulerende fantast, vertelt ons het ene na het andere barokke verhaal. Daarin gaat het onder meer over ene Edie, de nu helaas overleden vrouw met wie hij naar eigen zeggen ooit een affaire had. Of had willen hebben. Het gaat ook over zijn lange, klungelige en bijna hilarisch- groteske moord op haar man Colijn, wiens plaats en identiteit hij vervolgens overneemt. Zonder dat de dorpelingen dat lijken te merken, wat heel raar is. De ik- figuur, toch al een fabulerende fantast vol wanen en een volmaakt onbetrouwbare verteller, neemt dus ook nog eens meerdere identiteiten aan. En zegt daarbij meer dan eens dat hij niet weet wie, wat, waar en wanneer hij is. Als lezer voel je vaak vergelijkbare duizelingen. Zeker als de ik- figuur voor een rechtbank wordt gedaagd - een rechtbank overigens die soms op een toneel lijkt, soms op het binnenste van een walvisvaarder, en soms op een bizarre droom- omdat hij wordt beschuldigd van moord op zijn vrouw, Edie. Terwijl sommige details van die moord weer doen denken aan de maffe moord van de ik- figuur op Colijn. Dubbelzinnigheid is troef, kortom. Als lezer kun je eigenlijk alleen maar vol verbazing meegaan in al die dubbelzinnigheid en al die grillige en onverwachte plotwendingen. En je gewoon overgeven aan al die barokke bontigheid. Zonder het te willen begrijpen, want dat lukt je toch niet.

Intrigerend vind ik bovendien hoe Edie meer en meer wordt opgevoerd als fantasiebeeld in het van verlangen doordrenkte brein van de ik- figuur. Hij vertelt ons bijvoorbeeld al vroeg dat hij een dunne roman over haar geschreven heeft, met als titel "Gebroken wit". Dat boek is vol fantasie die ook de verteller zelf verbaast: "Hoewel ik haar onmetelijke blankheid trouw bleef ging mijn pen eigenzinnige wegen". En ook die blankheid, de witheid die hij met Edie associeert, wordt dubbelzinniger en dubbelzinniger, ook buiten die roman om. Die witheid heeft connotaties met het nog onbeschreven papier, dus met betekenis die nog niet in letters is gestold en dus bol staat van pure potentialiteit. Maar het heeft ook connotaties met de dood, die van Edie een voorgoed onbereikbaar spookbeeld maakt. Wat ook weer iets dubbelzinnigs heeft, omdat juist die treurniswekkende onbereikbaarheid ook een ontstegene van haar maakt. Oftewel een spookgestalte van pure verbeelding, die voor de ik- figuur te verkiezen is boven de al te platte en al te grijpbare realiteit.

Dat alles wordt nog versterkt omdat "wit" volgens de verteller een onuitputtelijke veelheid van symbolische betekenissen heeft. Hij zegt daarover bijvoorbeeld: "Zelfs heb ik een keer om bovengenoemde redenen in de Chinese tuin tot beeld moeten worden in een diep beschaduwde nis, zodat ze voor mij knielde en mij aansprak als nog nooit, en zo wit dat het duizelde van de perspectieven. Zoals gezegd, mijn Edie was wit, maar wat is wit? Er is een natuurlijk wit, maar dat omvat eveneens het ongenaakbare kuise van het Carraramarmer als het kleffe loensen van paarlen, zowel het rozige wit van de albino dat aan te vroeg geboren beestjes doet denken als het wit van de haaiebuik, zo glad, naar slib riekend en kil. Hoe geruisloos is niet het violette wit van de sneeuw, of walgwit het gekrioel van maden, vervelend het wit van de Heilige Vader en mistig het wit van spoken? Nee, niets van dit alles beschrijft het wit van mijn Edie en nog vele jaren moesten voorbijgaan voor ik ontdekte dat haar wit zich zeer in de diepte tegen zichzelf keerde".

Edie is voor de verteller dus een "gebroken wit" fantasiebeeld, en de meerduidige symboliek van dit wit onderstreept de ongrijpbaarheid van dat fantasiebeeld. Daardoor wordt de verteller ook zelf een gebroken witte figuur, vol van vergeefs verlangen: "Ik was zodoende een en al hunkering, zelden heb ik daar, in die bleekblauwe en melkwitte stegen, mijzelf beter doorzien: ik was de geboren hunkeraar, een blauwoog, een parkmens, een maanmarmeren spook dat in alles wat hij zag de treurnis wekte om het voorbijgaan, of het nu kalk was of een autowrak". En ja, het wit roept hier en elders ook associaties op met het witte maanlicht waar de verteller vaak aan denkt, of met de maanzieke waanzin die zijn geest omhult. Kortom: "Leesclubje" draait voor een groot deel om vergeefse maanzieke verlangens, van een fabulerende fantast, naar een ongrijpbaar en gebroken wit spookbeeld.

Dat alles is zonder meer tragisch te noemen. Maar tegelijk staat "Leesclubje" dus vol met hilarisch ongerijmde zinnen en opvrolijkend onverwachte plotwendingen. Bovendien is die tragiek naar mijn gevoel deels ook een keuze: de ik- figuur leeft veel liever in de maanzieke verbeelding dan in de realiteit, en verkiest ongrijpbare gebroken witte spookbeelden verre boven een geconsumeerde liefde. Althans, zo interpreteer ik dat. Brakmans personages willen en kunnen vaak nergens anders wonen dan in waan en verbeelding: dat maakt hen tragisch, maar naar mijn smaak ook aanstekelijk en groots. Dat geldt in mijn beleving ook voor de maanzieke verteller van "Leesclubje". En ik genoot zeer van zijn ongebreidelde en volkomen barokke fantasie.

Reacties op: Brakman zet ons weer eens op vele verkeerde benen

4
Leesclubje - Willem Brakman
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
Gesponsorde boeken