Lezersrecensie
"De dood kan mooi zijn als je geleefd hebt"
Wat een prachtige roman is dit!
Keizer Karel (dé Keizer) brengt zijn laatste levensdagen door in een prachtig, maar afgelegen klooster, omringd door zijn hebzuchtige lijfarts, een kolonel, wat dienstpersoneel en ... een jongen, Geronimo, die zijn onechte zoon is. Het stilzitten en nadenken in de blakende zon blijkt een kwelling te zijn voor de Keizer. De ontmoeting met Geronimo zorgt plots voor een ommekeer bij Karel: hij wil terug in het het nu gaan leven, stoppen met nadenken over een verleden dat hij als een zware last met zich meedraagt, en stoppen met angstig te zijn om de toekomst: zijn nabije sterven. Tijdens een regenachtige nacht gaan Karel en de jongen op stap, ze verlaten het klooster, op weg naar ... Laredo. Ze ontmoeten vrienden, met wie ze vrij akelige avonturen beleven in een "Dode Stad", temidden van de kille bergen... Steeds omringd door jonge mensen wordt Karel een ander mens en "gelouterd" gaat hij zijn einde tegemoet...
Geiger schrijft prachtige zinnen. Soms moet je de zinnen enkele keren herlezen om de waarheid ervan tot je te laten doordringen. De "reis" van Karel (die achteraf toch erg surrealistisch blijkt te zijn) maakt van de wrokkige oude keizer een ander mens, hij zoekt en vindt ook zichzelf. De slotscène, aan de kust bij Laredo, is een prachtig stukje literatuur. Hoe de natuur zich hier "levend" toont en louterend werkt, zoals wanneer Karel de zee ingaat:
"Hij wankelde door de golven die zich schuimend opdrongen, de ene na de andere, als generaties die elkaar volgen, generatie na generatie, om dan te breken en in het zand dood te lopen. De volgende golf kwam eraan en trok zich daarna weer terug, beter noch slechter dan de golf ervoor, niet dommer of wijzer, het ging gewoon door, nu eens hoog en dan weer laag, gelijkmoedig en troostend." (p. 230)
"Dat is dus het leven, dat is waardoor je leeft. Ik ben hiernaartoe gekomen om dat te ontdekken. Hij ademde diep en licht in. De dood kan mooi zijn als je geleefd hebt. Hij dacht het zonder bitterheid." (p. 231)