Lezersrecensie
Geen gewone New Yorkse kroegtijger met Vlaamse roots
Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan-Albert Goris) was een Vlaamse schrijver die leefde tussen 1899 en 1984. Op jonge leeftijd, zo rond zijn twintigste, maakte de zwaar katholiek opgevoede Gijsen zijn literair debuut. In de loop der jaren neemt zijn katholicisme en zijn flamingantisme stelselmatig af. Literatuur was voor Gijsen tijdens zijn werkzame leven, iets wat hij er naast deed. Vanaf 1928 was hij ambtenaar, tot hij aan in 1940 bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog overstapte naar de Belgische diplomatieke dienst en hij gestationeerd werd in de Verenigde Staten. In 1964 keert hij terug naar België en gaat hij met pensioen en heeft hij alle tijd om zich aan de literatuur te wijden.
In 1974 publiceert Gijsen de korte roman “De kroeg van het grote verdriet”. De roman speelt zich af in New York en, al is het niet direct op te maken uit de roman, tijdens zijn dienstverband aldaar ergens in de tweede helft van de jaren vijftig. De naamloze verteller gaat (bijna) iedere avond rond elf uur naar de plaatselijke Pink Poodle Bar om de eerste editie van de New York Times te lezen. Tijdens zijn frequente bezoeken aan deze bar raakt hij na enige tijd in gesprek met andere stamgasten. Het zijn allemaal ‘einzelgängers’ met meestal meer verleden dan toekomst. Slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog die (oostelijk) Europa ontvlucht zijn om aan de andere kant van de oceaan hun leven weer op gang proberen te krijgen, New Yorkers die vastgelopen zijn in hun eigen ambities, of New Yorkers die door institutioneel racisme worden tegengehouden bij het verwezenlijken van hun idealen; een mooie doorsnee van de New Yorkse samenleving van die jaren. Dit historische kijkje van Gijsen is aan de ene kant gedateerd, maar juist daardoor ook wel weer actueel omdat het ons laat zien hoeveel en ook wel hoe weinig er in de afgelopen decennia is veranderd wat betreft (institutioneel) racisme, acceptatie van homo’s, economische en juridische onafhankelijkheid van vrouwen en (bovenmatig) drankgebruik.
De ironie en de sobere stijl, die wat weg heeft van zijn Vlaamse collega Willem Elsschot, waarmee Gijsen rake observaties neerzet van de andere kroegbezoekers en hun wederwaardigheden én de zelfspot waarmee hij ook de ‘ik verteller’ niet spaart tillen deze roman tot een niveau dat ver uitsteekt boven een verzameling kroegverhalen of de bespiegelingen van iemand die (te) diep in het glaasje heeft gekeken. “De kroeg van groot verdriet” is daarmee geen gewone New Yorkse kroegtijger.