Lezersrecensie
Gerijpt na de hongerjaren
De ik-figuur uit ‘Hongerjaren’ (1973) heeft geleefd en geleden, maar is herrezen uit zijn kansarme milieu en in ‘Gezichten’ (2000) is Mohamed Choukri gerijpt tot een reflecterende oude man. Dit derde deel van zijn 'Tanger-trilogie' houdt het midden tussen een verhalenbundel en een psychologische roman met enige continuïteit. In bijna elk verhaal duikt Choukri zelf op, bij monde van een ik-figuur, om ergens zijn relatie als schrijver tot de beschreven personages te accentueren. Een iconische romancier in zijn nadagen trekt naar Londen en Parijs voor ontmoetingen met grote namen uit de Arabischtalige literatuur als Elias Khoury, Emile Habibi en Hanan Al-Shaykh. Het straatschoffie van weleer hoeft geen brood meer te roven om in zijn bestaan te voorzien, maar zijn overlevingsdrift staat nog op scherp in een hang naar vrouwelijke genegenheid, middelengebruik en een vereenzelviging met verhalen van mensen aan de zelfkant van de Marokkaanse samenleving.
Zo onverbiddelijk Mohamed Choukri naar zichzelf is als verbitterde oude man, zo compassievol is hij namelijk in de kleine sfeerportretjes van verschoppelingen voor wie bestaanszekerheid een vernederend gevecht blijft. Een stad als Tanger heeft de mythische koloniale grandeur nog in haar bouwstenen vereeuwigd, maar het verval is ingezet sinds die vernederende hongerjaren waar Choukri zijn cyclus ooit mee begon. Voor zijn personages zijn slinksheid, vernuft en zondigheid manieren om aan hun troosteloze levenslot te ontsnappen. Of het Alaal is die zijn vader Al-Hadi, een gehandicapte Vietnam-veteraan, zelf maar bevredigt omdat er dan geen vrouw met het familiekapitaal vandoor kan gaan. Of gokker Hammadi die meer plezier haalt uit het gokken zelf dan of hij wint of verliest - er valt immers altijd wat te gokken, wat het leven ook brengt. Of Moensif en zijn morbide hobby als chroniqueur van de dood en de doden, die met zijn lyrische beschrijvingen onbeduidende levens mooier maakte en machtige figuren postuum neersabelde. Of hoe hoerenmadam Lalla Sjafieka en haar protegé Fati niet zelden het seksleven faciliteren van een berooide broodschrijver als Choukri.
Anders dan 'Hongerjaren' (1973) is 'Gezichten' (2000) een meer gestileerd werk. Minder rauw en beschrijvend, maar met mooiere zinnen, wijzere inzichten en een iets originelere - bijna postmoderne- opzet waarin verzinsel en authenticiteit niet meer van elkaar zijn te onderscheiden. Wel blijf ik moeite hebben met zijn enigszins stereotiepe vrouwelijke personages, die vrijwel altijd in een seks- of liefdesrelatie verkeren staan tot Choukri. Het is een soort 'rauw en eerlijk' á la Bukowski waar ik toch vooral een seksistisch onvermogen in zie om te beseffen dat vrouwen buiten de schrijver om kunnen bestaan. In zijn laatste overpeinzing zet Choukri zijn eigen schrijverschap uiteen in bloemrijke, lyrische bewoordingen. Het is verreweg het mooiste en meest pregnante van de hele bundel, wetende dat het waarschijnlijk ook een laatste proeve van bekwaamheid was voor het verscheiden van de echte schrijver.