Lezersrecensie
Laat maar niet gaan!
Het gaat om een bakbeest van een boek, het in 1961 door Philip Roth geschreven Letting go, vertaald in Laat maar gaan. Het bevat 666 pagina's superieur geouwehoer over Gabe Wallach, een jonge academicus en leraar, die alles mee heeft om gelukkig te worden: intelligentie, een goed uiterlijk, een redelijke erfenis en een gevoelig zielenleven.
Geluk is eigenlijk niet eens zijn doel, je krijgt de indruk dat hij met tevredenheid ook al ruimschoots genoegen zou nemen. Hij probeert die staat te bereiken door zo rustig en onopvallend mogelijk door het leven te gaan en het iedereen naar de zin te maken, als ze in godsnaam maar niet van hem vragen dat hij een blijvende binding met hen aangaat. Dat stuk egoïsme bezorgt hem helaas zóveel schuldgevoel dat hij extra vriendelijke dingen gaat doen, waardoor vanzelf toch de bindingen gaan ontstaan die hij zo vreest.
Dat is bijvoorbeeld het geval in de relatie met zijn vader, een rijke tandarts die na het overlijden van zijn vrouw probeert om de banden met zijn zoon aan te halen. Uit liefde en mededogen gaat Gabe een heel eind mee, waardoor het des te pijnlijker wordt als hij op een gegeven moment wil ontvluchten om niet geheel opgeslokt te worden.
Op soortgelijke onwillige wijze komt Gabe af en toe terecht in het jonge moeizame huwelijk van Paul en Libby Herz en min of meer permanent in het bed van de gescheiden Martha Reganhart. En als hij dan ten slotte over zijn weerzin heen stapt en een echte daad wil stellen ten behoeve van anderen, zich echt met hun situatie wil bemoeien, dan loopt het allemaal in sneltreinvaart mis en vlucht hij naar Europa om tot rust te komen.
Wat ik hier opschrijf is natuurlijk niet meer dan de magere en sombere essentie van het verhaal. De werkelijkheid is veel aantrekkelijker want Philip Roth trekt zich van samenvattingen weinig aan en vult het verhaal met allerlei tragikomische situaties en personen die misschien met de essentie weinig te maken hebben, maar die je niet graag zou willen missen, omdat je zelden kans hebt zóveel mensen zo royaal beschreven te zien. Als een Voskuil weet hij in iemands (Gabes) hoofd te kruipen en al diens overpeinzingen en frustraties op te schrijven, met daarbij dan ook nog dat aan van oorsprong Joodse auteurs cynische eigen ondertoontje. Ik kan hiervan genieten.