Lezersrecensie

Hondsvals en menstrouw


Kaj Peters Kaj Peters
11 mrt 2016

Ooit eens gezien hoe mijn poes parmantig begon te likken aan mijn eigen bloed dat tijdens een neusbloeding op de tegels terecht was gekomen. Dat veroorzaakte bij mij de morbide gedachte: als ik kom te overlijden in mijn eigen woning, zou dezelfde felis sylvestris catus zich ook laven aan mijn lichaamsvlees? Ik voed haar. Ik geef haar veiligheid en bescherming. Ik geef om haar op een manier zoals je als baasje om je eigen huisdier geeft. Door het oplikken van mijn bloed kreeg ik het unheimische gevoel dat het eeuwenlang domesticeren van huisdieren niet heeft kunnen overbruggen dat mijn poes nog altijd een onvoorspelbaar roofdier is. Onze harmonieus lijkende twee-eenheid van baasje/huisdier is in werkelijkheid een deceptie van mijn kant, waarmee onze verhouding tot elkaar vrijwel volledig bestaat uit hoe ik mijn eigen gevoelswereld en gedachtestromen projecteer op een bestaand wezen dat zich tegen wil en dank in mijn nabijheid bevindt. Laat dat een gevoel zijn waar deze roman geraffineerd vorm aan geeft.

Het hoofdpersonage van Spill Simmer Falter Wither is een zonderlinge, wereldvreemde man van eind vijftig die zijn hele leven in de schaduw heeft geleefd van een dominante vader. Nergens wordt deze Ray expliciet gediagnosticeerd, maar de ik-verteller lijkt te wijzen op een autismespectrumstoornis: eindeloos feiten en weetjes opdreggen, moeilijk in de omgang met andere mensen, emotioneel onvolwassen in het uiten van emoties. Misschien is hij zelfs zwakbegaafd? Of zou dat mensenschuwe gedrag een gevolgtrekking zijn van de tirannieke opvoeding die af en toe in flitsen voorbij komt in de flashbacks!? In ieder geval is de ontwikkeling van de hoofdfiguur achtergesteld geraakt op die van leeftijdsgenoten. Zijn bestaan centreert zich rond de veilige woning van het ouderlijk huis waar hij als een volwassen kleuter zichzelf afschermt tegen mogelijke gevaren van buitenaf. Zijn grootste angst is alles wat een zweem van autoriteit heeft, zoals uitdragers van justitie en psychische gezondheidszorg.

Het verhaal begint wanneer de menselijke outcast de foto ziet van een gehavende zwerfhond met maar één oog. In deze One-Eye vindt hij een punt van herkenning en nieuwe betekenis in zijn leven. Slechts in proloog en de epiloog beschrijft Baume hoe One-Eye de wereld ervaart: fragmentarische waarnemingen, geen andere duidingen dan feitelijk registreren wat er om hem heen gebeurt, maar zonder daarbij gevoelens en gedachten te hebben buiten de basisbehoeften om. Hoe anders is de stream of consciousness in de rest van de roman waarmee de menselijke ik-verteller steeds de dialoog aan wil gaan met met de hond die hij adopteert. Hij legt hem dingen uit terwijl de hond maar beperkt zijn eisen en wensen kenbaar kan maken. Hij probeert hem te sussen als er andere honden langskomen, maar One-Eye reageert ongemeend vals door ze dood te bijten of te verwonden. Hij spiegelt zijn morele keuzes aan wat de hond doet en laat, en smacht daarmee naar een bijval die hij nooit zal krijgen. De roman leest daarmee als een continue monoloog van een onbetrouwbare (menselijke) verteller die probeert om een klankbord te vinden bij een ander levend wezen dat tegelijkertijd zowel vreemd als vertrouwd aanvoelt. Toch kunnen de twee nooit bij elkaar komen, een kloof tussen belevingswerelden blijft in stand.

Voor mij is het knappe aan ‘Spill Simmer Falter Wither’ hoe het talig de botsing weet te verbeelden tussen een 'mens' dat in afzondering een 'dier' nodig heeft om te ontsnappen aan zijn eigen isolement. Zoals ik eerder beschreef in mijn eigen anekdote, is de relatie tussen homo sapiens en (gedomesticeerde) dieren er één vol onbegrip naar de blik van de ander. Eigenlijk is veel kennis over het dierenrijk gevangen in clichés en conventies. De hond is loyaal aan de mens. De kat is ontembaar en wild. Een rat of muis eet je niet, maar een kip of rund kan industrieel gefokt worden voor de voedselindustrie. Wat de botsing tussen gezichtspunten van One Eye en Ray ter discussie stelt is dat relaties tussen mensen en dieren eindeloos veel complexer zijn dan de gecategoriseerde kennis die we erover hebben. Mens en natuur staan niet los van elkaar. Wat mensen als natuur en niet-menselijk bestempelen, is altijd gefilterd door eigen kennis, eigen psychische gesteldheid, eigen angsten, eigen verlangens en eigen hoop.

Ergens is de relatie tussen Ray en zijn Canis Minor ontroerend in hoe de twee nader tot elkaar komen. Ergens is het unheimisch hoe de hond tot op het gewelddadige af zich onttrekt aan zijn gezag en autoriteit. Mislukkende pogingen voor het hoofdpersonage om ontact te leggen met zijn hond laat voornamelijk een menselijk onvermogen zien om het dierenrijk te kunnen begrijpen. Echt begrijpen op een manier die recht doet aan het 'anders zijn' van een grote groep levende wezens die in het keurslijf van rigide hokjes terechtkomt. Hun welhaast parasitaire relatie laat zien dat er nog zoveel meer connecties tussen mensen en dieren bestaan dan vaak hun weg vinden in populaire cultuuruitingen. Sara Baume heeft in ieder geval een hoogst intrigerend debuut geschreven, en ik zie uit naar meer complexe narratieve trucjes waarmee zij de menselijke psychologie eens haarfijn onder de loep neemt.

Reacties

Meer recensies van Kaj Peters

Boeken van dezelfde auteur