Lezersrecensie
Beeldig verhaal, maar geen meesterwerk
‘Als je in het leven echt serieus wilt leren begrijpen hoe het leven in elkaar steekt, dan móét je minstens een keer sterven. En aangezien dat de regel is, kun je dus maar beter jong sterven, als je nog veel tijd voor de boeg hebt om weer op te staan en te herrijzen…’ (p. 271)
Op de achterzijde van de omslag, onder een grote foto van een Bassani die in de camera staart zoals alleen een ijdele Italiaan dat kan, prijkt in plaats van een traditionele flaptekst slechts een enkele zin: De klassieke liefdesgeschiedenis nu in fonkelnieuwe vertaling (die van de hand van Jan van der Haar is, overigens). Eronder een ronkend citaat van The Guardian: ‘Een van de grote romans van de twintigste eeuw.’ Met dat statement ben ik het niet eens, maar waar ik mee wilde beginnen: applaus voor de vormgever (Brigitte Slangen) en Meulenhoff. Ik las de hardcover uitgave uit 2009 – twee euro bij de kringloop, koning te rijk – en de vormgeving is molto bello! Stijlvol, nieuwsgierig makend en perfect de sfeer van het boek ademend.
In eerste instantie moest ik behoorlijk wennen aan de schrijfstijl van Bassani. Al gauw kwam ik zinnen tegen met de lengte van een halve bladzijde. Van die zinnen die je dan nog een keer moet lezen, en nóg een keer, omdat de schrijver zich binnen het bestek van één zin zich in allerlei bochten wringt en te pas en te onpas met wetenswaardigheden strooit, om maar met zijn eruditie te pochen. Zinnen waarvan een hedendaagse redacteur de schrijver ogenblikkelijk op z’n vingers tikt en hem of haar onmiddellijk opdraagt ze op te splitsen. Zinnen zoals deze:
Met die uitdrukking werd meestal verwezen naar de leden van de vier of vijf families die het recht hadden om de kleine, afgescheiden Sefardische synagoge te bezoeken, gelegen op de derde verdieping van een oud woonhuis in de Via Vittoria en ook wel de Fano-synagoge genoemd, naar de familie Da Fano van de Via Scienze, naar de familie Cohen van de Via Gioco der Pallone, naar de familie Levi van de Piazza Ariostea, naar de familie Levi-Minzi van de Viale Cavour: in elk geval allemaal wat rare mensen, altijd een tikje twijfelachtige, vluchtige types, voor wie de godsdienst, die in de Italiaanse sjoel nagenoeg katholieke trekken van volksheid en theatraliteit had aangenomen, met ook in het karakter van de mensen een overduidelijke, vooral extraverte en blijmoedige weerslag, heel kenmerkend voor de Povlakte, hoofdzakelijk een geloof was dat met maar weinigen beleden mocht worden, in semiclandestiene gebedshuizen waar je ’s nachts naartoe moest, in kleine groepjes door de donkerste, onguurste stegen van het getto.’ (p. 34-35)
Pfff, wat een informatiedichtheid! Dit kan nog wel een lange zit worden, dacht ik. Gelukkig bleek dat mee te vallen en gaandeweg leerde ik het zelfs te waarderen, deze lange, meanderende volzinnen rijk aan details en nonchalant gebrachte feitjes. Want het zijn deze details en feitjes die het Ferrara van de jaren dertig van de vorige eeuw tot leven brengen. Ze brengen de broodnodige context in een anderszins vrij droog aandoende liefdesgeschiedenis. Of ja – kun je het wel een liefdesgeschiedenis noemen als de liefde nooit op een gelijk niveau heeft plaatsgevonden? Door het woord ‘liefdesgeschiedenis’ werd bij mij de verwachting geschapen dat de gesuggereerde romance daadwerkelijk zou plaatsvinden, maar eigenlijk vormt dit verhaal een afwending van een liefdesgeschiedenis...
In De tuin van de familie Finzi-Contini is opgetekend hoe de verteller verliefd wordt op Micòl Finzi-Contini, dochter van de rijke joodse professor Ermanno. Op de achtergrond raakt Italië ondertussen steeds meer in de ban van het fascisme; ook in Ferrara is het raak. Zo wordt de (eveneens joodse) verteller verbannen uit de universiteitsbibliotheek en zijn joodse leden van de lokale tennisclub niet meer welkom. De aanzienlijke tuin van de familie Finzi-Contini, dat een privé-tennisbaan heeft, wordt een uitvalsbasis voor steeds meer joodse Ferrarese jongeren, tot de fascisten daar uiteindelijk ook een stokje voor steken. Terwijl je dit alles leest, je als lezer laaft aan het weelderige paradijs dat het landgoed van de Finzi-Contini’s is, zou je haast vergeten dat op de eerste pagina’s het tragische lot van de familie uit de doeken gedaan: één van hen komt vroegtijdig te overlijden door ziekte, de rest wordt afgevoerd naar concentratiekampen in Duitsland. Zo heeft de verteller nog mazzel ook, bruut gezegd. Hij overleeft het allemaal, zij het met een gebroken hart.
Bassani schreef met een melancholische pen. Het paradijs valt, de fragiele utopie van de Finzi-Contini’s wordt uit elkaar gereten. Parallellen met het Hof van Eden zijn niet te missen, maar wie is de slang (de begeerte?) en wat is de zonde die de verteller (Adam) of Micòl (Eva) begaan? Dat is het mooie aan deze roman: het wordt nooit expliciet benoemd. Misschien omdat deze zonde een illusie bleek. Misschien omdat de rijke Finzi-Contini’s een gemakkelijke prooi vormden voor de fascisten. Misschien omdat ze zich door hoogmoed of naïviteit onaantastbaar waanden. Misschien omdat ze eenvoudigweg geklopt worden door de wreedheid en de willekeur van het bestaan. Game, set, match.
Niet iedereen zal zich verrijkt voelen door het lezen van deze roman – daarvoor is de schrijfstijl naar mijn mening te splijtend van aard en blijven de personages, ondanks Bassani’s praalzucht, iets te oppervlakkig beschreven – maar ik mag mij onder de gelukkigen scharen. Het is een beeldig opgeschreven verhaal, met een fijnbesnaard gebruik van pathos, maar om dit nu één van de Grote Romans van de vorige eeuw te noemen gaat me toch een brug te ver.