Lezersrecensie
Grappig met serieuze ondertoon: kinderboek maand van de filosofie 2026
Ik ben grappig maar nu even niet - Edward van de Vendel
Voor de maand van de filosofie in april 2026 scheef Edward van de Vendel dit jaar het themaboek, passend bij het thema ‘Ken onszelve’. Deze traditie loopt nu al sinds 2019, en ik ben er enthousiast over, want de afgelopen jaren werden ook al eerder erg sterke boeken uitgebracht door o.a. Bibi Dumon Tak (De eik was hier) en Marco Kunst (Vuile handen).
Aan Edward van de Vendel kun je deze taak wel overlaten: hij heeft al wel eerder boeken geschreven met een filosofisch tintje. Hij is gewoon een steengoede schrijver, vertaler en dichter. Maar dat hij ook zo goed cabaret kan schrijven, heeft mij aangenaam verrast! In dit boek Ik ben grappig maar nu even niet staat het - ondanks de titel - bol van de grappen en grollen. En dat is te danken aan hoofdpersoon Edde, samen met zijn nieuwe vriend Mikolas die uit Oekraïne vluchtte en bij Edde en zijn moeder komt wonen. Mikolas is iets ouder dan Edde, maar ze kunnen het direct goed met elkaar vinden. Ze gamen samen, kijken YouTube-filmpjes en het voelt voor beiden alsof ze broers zijn. Ook de beide moeders raken bevriend.
Maar in de loop van de tijd verandert er iets. De warme belangstelling voor elkaar bekoelt. Het wordt stil in huis. Edde’s moeder begint zich te ergeren aan de drukte in huis, ze verlangt naar rust. Mikolas komt in de puberteit, hij trekt zich terug, maar Edde is daar heel erg teleurgesteld over: hij mist zijn vriend.
De vertelvorm van het verhaal is bijzonder: Edde maakt een verslag (een eindwerkstuk over het onderwerp ‘wie ben ik’: “natuurlijk een misdaad tegen de leerlingheid”) voor zijn juf in groep 8 over wat er allemaal gebeurd is de afgelopen tijd. Hij probeert te achterhalen waarom de sfeer thuis veranderd is, en wil daar wat aan doen.
Edde houdt heel erg van komische stukjes, en hij schrijft graag een soort stand up comedy-teksten die hij ook uitvoert voor een publiek. Mikolas hielp hem daar eerst mee, maar nu niet meer. Hier toont Van de Vendel zijn extreem grappige kant: de teksten zijn scherp, gevat en droogkomisch.
“Mijn verslag is een beetje langer geworden dan ik had gedacht. Ik ben uitgeput en uitgehongerd. Mijn vingers gillen dat ze niet meer willen en mijn kont heeft verkering gevraagd aan mijn bureaustoel, …”
Tegelijkertijd is het verhaal allesbehalve komisch. Het verhaal van Miko en zijn moeder over wat er gebeurd is in Oekraïne, Marioepol, is heftig en hartverscheurend. Miko worstelt met zijn identiteit: is hij nu nog Oekraïner of wil hij Nederlander worden, kan hij terug naar zijn land of niet?
Het boek eindigt op een verrassende en ontroerende manier en laat je letterlijk achter met vragen waar je even op kunt kauwen: achterin het boek heeft Van de Vendel filosofische vragen opgenomen die je jezelf - of je kind/klas - kunt stellen nadat je het boek hebt gelezen. Toevallig genoeg kwam ik dit ook tegen in het nieuwste boek van Mariska Overman, Wolfke. Ik denk dat het een waardevolle toevoeging is die met name leerkrachten ‘aan’ zet om meer met het boek te doen. Voor mij had het niet zoveel toegevoegde waarde, omdat de vragen toch al bij me oppopten tijdens het lezen.
Ik vind dit boek een schitterend voorbeeld van een verhaal van deze tijd, waarin we veel met polarisatie te maken hebben: de manier waarop er naar vluchtelingen wordt gekeken, de vraag wie je echt bent, wat je kunt betekenen voor je land, wat veiligheid betekent en hoe je nieuwsgierig blijft naar de ander - allemaal thema’s die aan de orde komen. Tegelijkertijd is het een luchtig verhaal waarin veel te lachen valt ondanks de zwaarte. Kom maar op met die stand up comedy Edward, ik kom kijken naar je show!