Lezersrecensie
Kessels blijft hangen in vragen over lawaai
Marie Kessels schrijft graag over opgesloten mensen. In haar debuut Boa (1991) komt een vrouw een zomer lang haar huis niet uit, De god met gouden ballen (1995) draait om iemand die vastzit in de stationskiosk waar ze werkt, in Ruw (2009) wordt iemand plotseling blind en ook in haar andere romans en gedichten komt het thema begrenzingen voor. Zo ook in Brullen, haar negende boek: hierin gaat het over lawaai. Een interessant thema, actueel in een tijd waarin veel mensen behoefte hebben aan meer stilte.
Kessels is geen schrijver voor wie van verhalen houdt. De boeken die zij schrijft zijn te omschrijven als onderzoeksliteratuur en niet erg toegankelijk. Er is een vraag (in dit geval: waarom doet lawaai pijn?), die ze van verschillende kanten bekijkt en beschrijft in scènes die weinig met elkaar te maken hebben. Brullen heeft vijf delen, verbindende factor is het personage Dana: een fotograaf die last heeft van de herrie die de medebewoners van haar flat maken. Ze verhuist naar een rustiger wijk en begint met een vriend een kunstproject met vliegtuiggeluiden. In de tussentijd geeft ze een schrijfcursus in een gevangenis en onderzoekt daar het geluid van taal.
Kessels won meerdere literaire prijzen voor haar werk waaronder de Multatuliprijs in 1999, in 2001 de Anna Bijns Prijs en in 2009 de F. Bordewijk-prijs. De god met gouden ballen werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Met de waardering voor haar werk zit het dus wel goed. Kessels schrijft ook echt goed, ze kan heel scherp de verstandhoudingen tussen mensen beschrijven, met veel humor ook. De burenruzies in het tweede deel, misschien wel het beste deel van het boek, zijn daar een goed voorbeeld van. Citaat: ‘Als ze samen boodschappen gingen doen en op de bank tegenover de ingang van de dichtstbijzijnde supermarkt een sigaretje rookten, keken ze van elkaar weg en zorgden ze ervoor dat hun lichamen elkaar niet raakten. Net of ze met pijnlijk snoerende halsbanden aan elkaar vastzaten. De hond lag met opgestoken oren voor hen en probeerde te slapen.’
Maar in het grootste deel van Brullen staan niet van dit soort fijnzinnige observaties, maar moeten we het doen met de vragen van Dana over lawaai. Zoals personages in haar werk zitten opgesloten in verschillende situaties, zit Kessels vast in haar onderzoeksliteratuur. De vraag die overblijft: wat heb je er als lezer aan?