Lezersrecensie
Hypnotiserende orgie van over elkaar heen buitelende uitdrukkingen
Dit is er eentje in de categorie 'Ik weet niet precies wat ik heb gelezen, maar het is f*cking geniaal!' Hoofdzakelijk zijn het twee dingen die me verward (en verrukt dus, maar dat leg ik later uit) achterlaten: de enorme hoeveelheid personages en het feit dat Dylan Thomas' weelderige proza als hoorspel is genoteerd. Normaliter lees ik geen filmscripts, toneelstukken of hoorspellen – zo ben ik bijvoorbeeld ook op Harry Potter en het Vervloekte Kind afgeknapt, om maar iets te noemen. Even bot gezegd: ik vind het ruk lezen. Op de een of andere manier kan mijn brein het verhaal minder goed verwerken wanneer de zinnen, de dialogen zo uit elkaar worden getrokken. Met dit dunne boekje is dat niet anders: je moet continu schakelen tussen een schier oneindige stoet kleurrijke karakters waarvan de dialogen moeiteloos in elkaar vloeien. Zinnen worden door het ene personage aangevangen en afgemaakt door een ander. Toch kon ik het niet wegleggen, want of je het nu snapt of niet: het is een uitzonderlijke leeservaring. Wát een virtuoos taalgebruik! Er is al veel gezegd en geschreven over de weergaloze vertaling van Hugo Claus, maar: als ik een hoed had, dan had ik hem bij dezen voor Claus afgenomen. Chapeau. Overigens slaat het barokke taalgebruik zo'n beetje alle ongeschreven calvinistische wetten van Nederlandstalige literaire proza (Géén. Bijvoeglijk. Naamwoorden!) in de wind, wat ik persoonlijk wel verfrissend vond. Aan een stuk door ratelend vuurt Thomas onsamenhangende flarden van het verhaal op de lezer af, de ene flard nog levendiger en beeldender beschreven dan de voorgaande, culminerend in een hypnotiserende orgie van over elkaar heen buitelende uitdrukkingen. Neem alleen de eerste alinea al: "Om te beginnen bij het begin: Het is lente, nacht zonder maan in de kleine stad, zonder ster en bijbelzwart, de stille straten en het gekromde vrijers- en konijnenwoud hinken onzichtbaar naar de sleezwarte, trage, zwarte, kraaizwarte, sloepdobberende zee. De huizen zijn blind als mollen (hoewel mollen scherp zien vannacht in de wroetende fluwelen valleien) of blind als Kaptein Kat daar in het gedempte ruim bij de pomp en de dorpsklok, de winkels in de rouw, het huis van het Nutsgebouw in weduwendracht. En alle mensen in de gewiegde en verstomde stad liggen nu te slapen." (p. 5) Slik. Nog een keer lezen, en nogmaals. Fenomenale eerste zin, gevolgd door een paar juweeltjes van metaforen. Even verderop wordt diezelfde Kaptein Kat geïntroduceerd: "Kaptein Kat, de gepensioneerde, blinde zeekapitein, slapend in zijn kooi, in zijn zeeschelp, in zijn schip-in-de-fles, in de ordentelijke, beste cabine van het Schoenerhuis droomt van de razende zeeën, die het dek van zijn stoomschip Kidwelly overweldigden en het beddedak overzwolgen en hem kwal-glibberig onderzogen, diep zout naar het beestedonker, waar de vissen zwemmen en bijten en aan hem knabbelden tot op zijn botten en lang verdronkenen aan hem komen snuffelen." (p. 7) Gaandeweg bekroop me het gevoel dat ik de papieren versie van Robert Eggers' The Lighthouse zat te lezen. En dat moet uitsluitend als een groot compliment opgevat worden, want ik vind The Lighthouse een van de beste en meest atmosferische films in jaren. Wat voor de film geldt, geldt ook voor dit boek: het is hallucinerend, boordevol symboliek, onvergetelijke personages, flonkerende taalvondsten en uiteindelijk valt het nergens mee te vergelijken. Dit is een recensie van niks, dat geef ik toe. Zoals ik al zei: ik heb geen idee wat ik precies gelezen heb. Maar, zoals ik ook al zei: lees dit, want het is f*cking geniaal. Al zul je er waarschijnlijk, net als ik, een dozijn pogingen voor nodig hebben om het werk enigszins te doorgronden.