Lezersrecensie
Op de shortlist van de Man Booker? Hoe dan?!
Hoe dit ooit op de shortlist (de shortlist nota bene!) van de Man Booker Prize terecht is gekomen? Ik sta paf. Washington Black is per slot van rekening een simplistisch geschreven en dikwijls ongeloofwaardig boek dat aan elkaar hangt van (té) toevallige gebeurtenissen, vlakke personages en rammelende dialogen.
Laat ik maar bij het eerste verwijt – de simplistische stijl – beginnen. Geregeld kwam ik alinea's (zonder dialoog) tegen waarin nagenoeg alle zinnen met 'Ik', 'Hij', 'Het' of 'De' beginnen. Als voorbeeld neem ik de eerste alinea na de witregel op pagina 167. Die alinea bestaat uit zes zinnen: De, De, Ik, Ik, Toen, Ik. Dit soort alinea's kwam ik aldoor tegen. Een eerder voorbeeld: pagina 86, meteen na de witregel tot ongeveer halverwege pagina 87. Zestien achtereenvolgende zinnen: Ik, Zijn, Hij, Hij, Op, Hij, Dat, Zijn, Zijn, Hij, Hij, Hij, Hij, 's Ochtends, Hij, Maar. Ik vind dit vervelend lezen. Ik denk dat het door de herhaling komt. De zinnen beginnen steeds op dezelfde manier. Ik denk dat ze technisch gezien wel kloppen. De zinnen, bedoel ik. De leeservaring wordt door de herhaling echter behoorlijk eentonig. De mensen willen toch wat afwisseling zo nu en dan. Ik wel in ieder geval...
Natuurlijk chargeer ik een beetje, maar ik stoorde me wel degelijk aan deze verteltrant. In hoeverre vertaler Catalien van Paassen hiervoor verantwoordelijk is, laat ik in het midden – immers, ik heb geen beschikking over het origineel. Maar er viel mij meer op: sporadische spelfouten (p. 113: '... een porseinen kom...'), dubbele beelden in één zin (p. 392: 'Het licht lag dik als olie op het water van de Prinsengracht, met een doffe glans, als thee'), het veelvuldig toepassen van literaire doodzonde "tell, don't show" (p. 374: 'Maar toen begon de lucht tussen ons geleidelijk, wonderbaarlijk op te klaren. We konden weer met elkaar praten zoals vroeger, met veel liefde en weinig berekening.' --> Hoe dan? Laat het ons zien!), matige metaforen die je niet raken (p. 410: 'Met de deur potdicht rook het er groenig naar conserveringsmiddel en rottende planten...' --> Rook groenig? Mwoaaah), enzovoorts. Stilistisch pover dus.
Ook is Washington Black een ongeloofwaardig verhaal. Een roman slaagt bij de gratie van geloofwaardigheid, dat is mijn overtuiging. Wordt die geloofwaardigheid (lees: de aannemelijkheid van het verhaal) onopzettelijk verbroken, dan heb ik al snel de neiging een boek aan de kant te leggen. Zo ook met dit boek; bij vlagen wilde ik het uit het raam keilen. Toch bleef ik doorlezen, in de naïeve hoop dat het een incident betrof. Maar de toevalligheden werden steeds flagranter, met als toppunt de ontknoping in Marrakech. Hoofdpersoon Wash besluit met z'n vriendin Tanna, dochter van marien zoöloog Goff, naar Marokko te reizen om Titch op te sporen, de man die hij al het leeuwendeel van zijn vrije leven zoekt na lucht te hebben gekregen van het feit dat Titch nog leeft. Uit het niets komt Goff met het nieuws dat een collega-zoöloog van hem een zeer zeldzame inktvis heeft gevonden in, jawel, Marokko. Komt dat even goed uit: Wash en Goff runnen een maritiem museum, waarvan hun topattractie – een octopus uit Nova Scotia – op het punt staat te overlijden. Nóg een reden om naar Marokko te gaan, hoezee!
Maar wacht, het wordt nog mooier: eenmaal daar staat Wash op een ochtend zijn handen te wassen in een waterbak op een van de vele markten die Marrakech rijk is. Toevallig voelt Wash de blik van een man op zich rusten en kijkt op. Wat blijkt? Er blijkt inderdaad een man hem aan te gapen. Wie? Het is de gids die hen naar Titch moet brengen! Nouuu, wat toevallig, zeg. Alsof het Edugyan zelf begon te dagen hoe ongeloofwaardig dit tafereel de lezer moet toeschijnen, schrijft ze op pagina 415: "Tot onze verrassing was hij de man die ons na onze aankomst naar Titch had moeten brengen. Hij was een tijdje ziek geweest, legde hij uit in zijn kromme Engels. Nu hij beter was, was hij naar de stad gekomen in de vage hoop ons te vinden. Hoe ongelooflijk dat dit zo had mogen zijn." Inderdaad: on-ge-loof-lijk. Ongelooflijk dat je dit op papier durft te zetten, dat een redacteur hier niet aan de bel heeft getrokken.
Ongelooflijk zijn ook de personages van Washington Black, zowel in doen en laten als in dialoog. Geen van de personages komt tot leven, hoezeer Edugyan haar best ook doet. Zo is Wash zelf nauwelijks interessant te noemen. Hij heeft gruwelijke dingen meegemaakt, zeker; hij beschikt over een uniek talent (tekenen), oké. Maar wat dat met hem, met zijn psyche doet, daar horen we bar weinig over. Als we over zijn innerlijk al iets te lezen krijgen, dan zijn het vaak holle zinnen als 'Er kwam een knoop in mijn maag', 'Ik zag mezelf hard worden, en verbitterd...', 'Ik zat niet goed in mijn vel zat' en 'We aten een lekkere maaltijd...' – all tell, no show. Over Wash' talenten gesproken... Hij had beter iets met zijn reukvermogen kunnen doen. De accuratesse van Wash' neus is ongeëvenaard. Hij ruikt alles, maar dan ook echt álles: tabak, lood, geplet riet, ongewassen dekknechten, schaapsstoofpot, modder, terpentine, verschaalde parfums van prostituees, natte wol, naftaleen, lavendel, haring, zout, dille, clementines, verse pruimen, gedroogd leer, kamelenzweet, conserveringsmiddel, enzovoorts. Het gaat zo maar door. Het rare is: de helft van al wat Wash ruikt zou hij onmogelijk kunnen benoemen, gezien zijn geringe levenservaring buiten de plantage. Toch weet hij het er allemaal feilloos tussenuit te snuffelen. Als sommelier had Wash furore kunnen maken.
Enfin, met de andere personages is het niet veel beter. Geen van hen weet te beklijven. Edugyan voert een grote verzameling van kleurrijke personages op – die óf goed óf slecht zijn – elk met de diepgang van een stuk karton. Neem de dialogen. Wie er ook aan het woord is, ze praten allemaal op eenzelfde wijze. Geen eigen stopwoorden, geen onderscheidende intonaties, geen verhaspelingen, spontane kreten of eigenzinnige idiomen, er worden nauwelijks grapjes gemaakt... Daardoor ontberen ze een eigen identiteit en zijn ze moeilijk van elkaar te onderscheiden. Je krijgt als lezer geen gevoel bij de personages: ze zijn flets en oninteressant, met als gevolg dat 'grote' onthullingen nauwelijks iets bij me opriepen. Het bereik van mijn reacties op deze onthullingen liep ongeveer van Ja, en? tot en met O... oké.
Dit alles terwijl het boek zo veelbelovend begon. Als je me van tevoren had verteld dat ik Washington Black met moeite twee sterren zou geven, dan had ik je niet geloofd. Het boek had alles in zich om een persoonlijk favoriet te worden: een urgente thematiek, geschiedenis, wetenschap, avontuur, een vleugje fantasy en een gloeiende aanbeveling in de vorm van de MBP-nominatie. Volgens een citaat van The Guardian op de achterflap van het boek hebben we hier te maken met '[e]en net zo aangrijpend portret van slavernij als Colson Whiteheads De ondergrondse spoorweg, en tegelijkertijd een werelds, spannend avontuur.' Ik vroeg mijn vriendin, die beide boeken eerder las, of ze het hier mee eens was. Haar antwoord: "In de verste verte niet."