Lezersrecensie
De liefde die een zwaarbelaste naam heeft
De roman Het relaas van Solle van Andreas Oosthoek (72), voormalig hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant, kent een merkwaardige wordingsgeschiedenis. Oosthoek schreef het boek, waarmee hij nu debuteert, al in 1974. Maar hij raakte het manuscript kwijt. Of, zoals een van de verhalen wil, hij verloor zijn interesse in het boek. Hoe vreemd dat ook mag klinken, ondenkbaar is het niet. Het kan zomaar zijn dat Oosthoek een actueel, persoonlijk verhaal, dat hem erg bezighield, van zich af wilde schrijven, niet met het oog op publicatie. Vrij recent werd het manuscript teruggevonden op een zolder.
Dat is maar goed ook, want de Nederlandse literatuur knapt zienderogen op van deze roman.
De Solle uit de titel is de boerenzoon Solle Landa. Het verhaal speelt zich af in de jaren vijftig, in een Zeeuwse polder. Solle Landa gaat naar het gymnasium, maar hij is voorbestemd om het boerenbedrijf van de familie voort te zetten. Dat besef leeft sterk bij hem, de plicht en het vooruitzicht vallen hem niet zwaar. Weliswaar is hij op school een buitenbeentje, maar hij kan die positie aan.
Solle houdt van mannen. Wanneer het op school gaat over Thomas Mann, schrijft Oosthoek:
'Als in een hogere klas het boek en het moeizame leven van de schrijver van 'Der Tod in Venedig' worden behandeld, spreekt de leraar over de verschrikkelijke geheimen van het leven. De liefde die een zwaarbelaste naam heeft maar geen naam mag hebben. Over lust en verleiding, de ratten en het spek, de afgrond. De klas meent overeenkomsten te zien als Solle passeert. Het jonge kwaad. De blonde vamp met de gebiedende ogen, de werveling in het haar, de kleding die niets te raden laat.'
Ook een buitendijker is de jonge baron Jacques Christophe d'Ulm, die Solle overrompelt. Jacques wil de wereld in; Solle wil Zeeland trouw blijven. Hun band blijft, ook na Jacques' vertrek.
De taal hier is zo mooi. Aan de stukken over Solle kleeft de klei; die over Jacques hebben een luchtiger toon. Het boek zindert ervan.
Bovengenoemd citaat, al vroeg in de roman, geeft aan hoe Oosthoek het heeft geschreven: 'Een vaste hand in een gelukkige hand, een vuist die zelden beeft.' Prachtig.