Lezersrecensie
Een blog uit het 1ste millennium
Met deze uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep verschijnt Het Hoofdkussenboek (Sei Shonagon) voor het eerst als directe vertaling uit het Japans. Tot nog toe was het behelpen met vertalingen van vertalingen (bv. de Engelse vertaling van Ivan Morris: The Pillowbook of Sei Shonagon).
Naast het accurate vertaalwerk doet Jos vos dit duizend jaar oude werk overigens helemaal klinken als een hedendaagse blog, maar dan wel eentje met literaire allures. Want op de keeper beschouwd is het dat wat Sei Shonagon als hofdame aan het keizerlijke paleis deed: haar dagelijkse invallen toevertrouwen aan het papier (“Ik heb me voorgenomen alles op te schrijven wat er in me opkwam, ook wanneer het vreemd of onaangenaam klonk.” (p. 189) Ze vertelt over de verschillende soorten koetsen, de gewaden die men droeg, hoe de rituelen, feesten en ceremonieën aan het hof verliepen, ze beschrijft hoe ze de seizoenen ervaart, getuigt over de nachtelijke gesprekken … Ze legt lijstjes aan van de gewoonste, maar soms ook gekste dingen: bergen, vogels, bomen, rivieren … Lijstjes met mooie dingen, voortreffelijke, ongepaste, zeldzame, dingen die geen steek houden, van wat ergelijk is, pijnlijk, ontstellend, teleurstellend, nutteloos. Lijstjes met kwalen, insecten, vijvers …
“Onuitstaanbare dingen
Iemand die naar je toekomt als je dringend iets wilt doen en die maar niet ophoudt met praten. Gaat het om iemand die je nauwelijks respecteert, dan kun je hem gemakkelijk wegsturen met de woorden: ‘Straks misschien’, maar tot je grote ergernis lukt dat niet met mensen bij wie je je niet op je gemak voelt.
./..
Mensen die zich zitten te warmen aan een stoof en hun handen steeds weer omdraaien of uitstrekken. Heb je een jeugdig iemand dat ooit zien doen?” (p. 54)
Dergelijke lijstjes doen heel erg denken aan de talloze lijstjes die vandaag op de sociale media circuleren of aan de lijstjes van Amélie Poulain in Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain van Jean-Pierre Jeunet (2001): J’aime / Je n’aime pas.
Het Hoofdkussenboek leest niet als een verhaal en kun je zelfs zappend doornemen en aan de kant leggen om maanden later de draad weer opnemen.
Doordat Sei Shonagon zoveel aandacht besteedt aan alledaagse geplogendheden aan het hof, geldt Het Hoofdkussenboek overigens als een primaire bron van onschatbare waarde. Jos Vos voorziet Het Hoofdkussenboek in de voetnoten bovendien rijkelijk van literaire en geschiedkundige toelichtingen. Vaak interessant, maar het stokt wel het leesritme.
De moderne lezer valt verder op hoe ‘hedendaags’ en vaak triviaal de gesprekken en opvattingen ook duizend jaar geleden al waren: “Van alle gebreken die je je kunt indenken is er niet ontluisterenders dan een man of een vrouw die plat blijkt te praten. Hoe is het toch mogelijk dat een specifieke woordkeuze op ons verkomt als verfijnd of vulgair? “ (p. 327) Anderzijds bulkt Het Hoofdkussenboek van universele waarheden zoals “Niets schitterenders dan geliefd te zijn bij je ouders, heer of meesteres, en bij allen met wie je op vertrouwde voet staat.” (p. 273)
Sei Shonagon voorziet haar rake observaties niet zelden van fijnbesnaarde opmerkingen waardoor we haar als een schalkse, flegmatieke en zelfs snobistische dame leren kennen: (over een bezoek aan een tempel) “We konden alleen maar hopen dat we het Heilige Beeld zo snel mogelijk zouden mogen aanschouwen, maar tot mijn ergernis zat de tempel vol witgeklede monniken en lelijke schooiers … Dat stond daar maar een beetje te staan, wierp zich in het stof en sloeg helemaal geen acht op ons … Ik had ze allemaal graag aan de kant willen vegen! En zo gaat het nu eens overal. Wanneer iemand van verheven rang op pelgrimstocht gaat, wordt de omgeving geruimd, maar in het geval van eenvoudige edelen (zoals Shonagun, n.v.d.r.),is zoiets blijkbaar te veel gevraagd. Dat weet ik natuurlijk wel, maar telkens als ik ermee wordt geconfronteerd, erger ik me dood.” (p. 328)
In een enkel fragment toont Sei zich ronduit malicieus: “Het is een zondige gedachte, ik weet het, maar het doet me plezier als iemand die ik niet kan uitstaan door het ongeluk wordt getroffen.” (p. 277)
Sei Shonagon had niet de intentie om haar boek aan anderen te laten lezen (p. 189). Daarom mogen we het haar niet kwalijk nemen soms ietwat zelfingenomen en zelfs opschepperig uit de hoek te komen waar het haar poëtische kwaliteiten betreft. Het was overigens haar functie aan het hof om de keizerin in alledaagse situaties van poëtische woordspelingen te voorzien. Een toespeling maken met verwijzingen naar de Chinese poëzie werd erg gesmaakt en Shonagon gold ter zake niet alleen als een autoriteit, maar begreep als geen ander de kunst om ook instant relevante poëtische woordspelingen te maken.
Jos Vos maakte een verfrissende vertaling van Shonagons Hoofdkussenboekdat vertelt over een verre wereld (Japan aan het einde van het eerste millennium) maar zo eigentijds aandoet als een blog. Shonagon gaf hem hierbij een duizend jaar oude voorzet, want haar taal en gedachten zijn sprankelend, haar inzichten fris en nu en dan stelt ze vragen die ook vandaag nog steeds relevant zijn (“Ik vraag me af of het niet verkeerd is om altijd nieuwsgierig te zijn naar het leven van de beau monde.”p. 312).
En dan te bedenken dat Shonagons Hoofdkussenboekontstond bij wijze van grap toen de keizerin haar vroeg wat ze op de stapel papier zou schrijven die de paleismeester Korechika haar had geschonken. Eén van Shonagons woordspelingen zorgde ervoor dat zij het papier kreeg toegeschoven om vol te schrijven met alles wat haar maar te binnen schoot. Omdat haar boek ook baarlijke nonsens bevatte en zaken die anderen voor het hoofd konden stoten, hield ze het boek zo goed mogelijk verborgen. Toch kwam het boek nog tijdens haar leven boven water en werd het blijkbaar ook al door haar tijdgenoten gesmaakt. “Als lezers beweren dat mijn werk hen imponeert, snap ik daar niets van. Maar zo gaat het nu eenmaal: als iemand (i.c. Sei Shonagon, n.v.d.r.)iets prijst waar anderen een hekel aan hebben, of iets afkeurt wat anderen loven, dan kun je daaruit de grenzen afleiden van zijn begrip. Hoe dan ook, het irriteert me dat anderen dit hebben kunnen lezen.”(p. 330)
Een welgemeende sorry is dus het minste wat de lezer Sei Shonagon postuum kan aanbieden, maar naast een woord van dank voor deze waardevolle getuigenis over het leven aan het keizerlijke hof in het Japan van het eerste millennium, hoort ook een applaus voor de sprankelende vertaling van Jos Vos.