Lezersrecensie
Pleidooi voor aanpassing euthaniseiwet
Alleen bij onomkeerbare coma en permanente vegetatieve status (leven als een plant) kan in België momenteel euthanasie toegepast worden. In alle andere gevallen (dus ook bij dementie) moet de patiënt een wilsverklaring euthanasie hebben ondertekend. Distelmans houdt in Voor ik het vergeet een vurig pleidooi om euthanasie ook mogelijk te maken voor mensen met dementie. Alleen alzheimerpatiënten die volledig bewust en wilsbekwaam zijn, kunnen deze wilsverklaring momenteel opstellen. Dat betekent de facto dat ze op dit ogenblik ‘te vroeg’ euthanasie moeten aanvragen, want zodra ze niet meer wilsbekwaam en volledig bewust zijn, kan dit per definitie niet meer. Een hallucinante situatie vindt professor Distelmans, die niet alleen onmenselijk is voor de patiënt, maar ook voor de mantelzorgers en het personeel van de dagcentra die tot op vandaag het onmogelijke doen om alzheimerpatiënten een waardig levenseinde te garanderen.
Distelmans vindt dus dat er een aangepaste euthanasiewet moet komen voor mensen met dementie en andere vormen van onomkeerbare, verworven wilsonbekwaamheid.
In Voor ik het vergeet legt Wim Distelmans eerst alle begrippen nauwkeurig uit die hij in dit werk hanteert, bv. het verschil tussen aangeboren en verworven dementie, wilsbekwaamheid, de verschillende wilsverklaringen, euthanasie …
Vervolgens doet de auteur gedetailleerd uit de doeken wat momenteel in België kan en zou moeten kunnen om toekomstige ellende te vermijden. Hij laat uiteraard niet na om te onderstrepen dat België sinds 2002 over drie wetten beschikt met betrekking tot het levenseinde: de Wet patiëntenrechten, de Wet palliatieve zorg en de euthanasiewet en hiermee op eenzame hoogte staat (dixit professor Etienne Vermeersch).
En passant hekelt de auteur de – gelukkig steeds minder vaak voorkomende – zgn. paternalistische manier van ziekenzorg waarbij nagenoeg alles boven het hoofd van de patiënt wordt beslist. Zo wordt de mogelijkheid tot het opstellen van een wilsverklaring vaak niet eens aan de patiënt voorgelegd. Het zal de lezer dan ook niet verwonderen dat Wim Distelmans de nieuwe zorgcultuur een warm hart toedraagt en een fervent voorstander is van het beter bekend maken van de patiëntenrechten. Zo pleit hij ook voor een samenwerking tussen zorgvoorzieningen en aandacht voor persoonsgerichte zorg met respect voor de verbaal of niet-verbaal meegedeelde behoeften van de patiënt.
Uiteraard plaatst Wim Distelmans ook LEIF (het LevensEinde InformatieForum) voor het voetlicht met aandacht voor de verschillende concrete mogelijkheden om van deze diensten gebruik te maken.
Ten slotte beargumenteert professor Distelmans zijn vraag aan politici voor een bredere toepasbaarheid van de wilsverklaring euthanasie (bv. voor mensen met alzheimer) en dus voor een wetsaanpassing.
Voor ik het vergeet kan gezien worden als een pleidooi voor de uitbreiding van de euthanasiewet en een voorzet voor politici die dit onderwerp op de politieke agenda willen of kunnen plaatsen.