Advertentie

Er zijn weinig documenten gekend over Piet Hein. Zo komt het dat biografen zoals Ronald Prud’homme van Reine (Admiraal Zilvervloot, 2003), Samuel Pierre l’Honoré Naber & Irene Aloha Wright (Piet Heyn en de zilvervloot,1928) en Simon Rozendaal himself zich noodgedwongen op elkaars werk beroepen en allemaal terugvallen op de geschriften van dominee Dionysius Spranckhuysen (Cort verhael vande Voyage gedaen door de vlote van de West-Indische Compagnye, onder het beleydt van den heere generael Pieter Pietersz. Heyn, 1629).
Waarom moest er dus überhaupt nog een boek verschijnen over Piet Hein? Deze vraag stelt en beantwoordt Simon Rozendaal in zijn boek zelf door te stellen dat hij deze Hollandse zeeheld wilde benaderen vanuit maatschappelijke factoren uit de Gouden Eeuw die zijns inziens in de andere biografieën niet of te weinig aan bod komen: de tijdgeest, de Tachtigjarige Oorlog, de techniek, de economie, het geloof, de hygiëne, het kolonialisme, de slavernij, tijdgenoten … Vanuit deze aspecten kadert Rozendaal Piet Hein in zijn tijd en tegelijk de tijd van Piet Hein zelf (bv. dat ‘hij stonk, zoals iedereen in die tijd’).
Het resultaat is een doorleefde schets van de Gouden Eeuw, met naast biografische feiten over de admiraal, hier en daar ook aannemelijke, zij het voorwaardelijke, veronderstellingen over Piet Hein: ‘Wellicht heeft Piet Hein de oude sluistorens in Delfshaven nog beklommen’, ‘Vermoedelijk is de jonge Piet Hein in het kraanhuis geweest …’ Deze aannames doen echter geenszins afbreuk aan de historiciteit van het boek, maar blazen de geschiedenis leven in.

Laat me bij deze boekbespreking heel duidelijk zijn: ik las Zijn naam is klein in één ruk uit en beveel iedereen de lectuur ervan ten stelligste aan. De auteur heeft een klare pen en benadert het onderwerp wetenschappelijk, verhelderend en kritisch. Hij voert de lezer mee aan boord van een zeventiende eeuws galjoen, laat hem rondlopen in het Delfshaven van Piet Hein en zet hem op de eerste rij bij het filmisch verslag van de manhaftige verovering door admiraal Hein van het zeefort van São Salvador de Bahia in 1624. Ondanks mijn groot enthousiasme omtrent deze, overigens zeer mooi vormgegeven, publicatie, heb ik enkele bedenkingen die de auteur ongetwijfeld probleemloos zou weerleggen, maar bij andere lezers-leken evengoed de wenkbrouwen kan doen fronsen:

Het onderwerp van het boek (de Hollandse zeeheld Piet Hein en de Gouden Eeuw) zet in casu voor Nederlanders ongetwijfeld de deur open voor milde vaderlandsliefde. En al steekt de auteur de minder fraaie gebeurtenissen zoals de kolonisatie en de slavernij waaraan de Republiek zich heeft bezondigd, niet onder stoelen of banken – integendeel, hij wijdt er hele hoofdstukken aan – toch is hij niet van enig chauvinisme gespeend. Al vermeldt Simon Rozendaal weliswaar, en zij het zuinigjes, de grote invloed van de 150.000 ingeweken kapitaalkrachtige Zuid-Nederlanders die de Republiek zo glorievol maakten, toch kan hij daarbij het belang van de eigen haringeconomie en de handel op het Oosten in dit succesverhaal niet genoeg onderstrepen (zelfs de VOC-handel kan deze verdienste volgens de auteur niet in haar eentje op haar disconto schrijven). Uiteraard minimaliseert hij hiermee de toch wel zeer grote inbreng die veel van deze Zuid-Nederlanders voor de Republiek hebben gehad. Zo geeft hij bijvoorbeeld slechts schoorvoetend toe dat grote ‘Nederlanders’ zoals Simon Stevin en Louis Elsevier (om er maar enkele te nomen) eigenlijk ingeweken Zuid-Nederlanders waren. Pas vanaf pagina 165 steekt hij voluit de loftrompet over de hegemoniale positie die de Zuidelijke Nederlanden vòòr het ontstaan van de Republiek hadden ingenomen. Verder voelt de auteur zich nogal in zijn wiek geschoten wanneer Vlaamse historici er de Nederlanders fijntjes op wijzen dat de Zuid-Nederlanders bij het tekenen van het Plakkaat van Verlaetinghe danig door de Hollanders in de steek zijn gelaten. ‘Met het ondertekenen van de Vrede van Atrecht hadden de Franstalige zuidelijke gewesten de strijd (tegen Spanje) al opgegeven,’ repliceert Rozendaal. Wij noteren: aan de basis van de roemrijke republiek ligt volgens de auteur nièt de know-how, eruditie en financiële slagkracht van de ingeweken Zuid-Nederlanders, maar de Hollandse haringvangst.

Al presenteert de auteur de geschiedenis van de opkomst van de Republiek overzichtelijk en helder op een zilveren schaaltje (of vlootje zo men wil), toch menen we hier en daar een contradictie op te merken. Op p. 128 lezen we: “Het is onbekend of Piet Hein aan deze eerste gewelddagdigheden heeft deelgenomen.” (het betreft represailles naar aanleiding van de moord op admiraal Verhoeff tijdens Piet Heins eerste VOC-reis). Wat echter op p. 132 staat, lijkt ons dan toch tegenstrijdig: “represailles … waar Piet Hein wellicht ook aan heeft deelgenomen.”
Een andere contradictie lezen we op pagina 153 waar de auteur Erasmus aan het wood laat over de Hollandse volksaard: “In Holland is de lucht goed voor mij, maar de overvloedige slemppartijen hinderen mij, en niet te vergeten het ordinaire soort mensen, zo onbeschaafd, en de hevige verachting der studiën, het ontbreken van enige vrucht van geleerdheid, de ergste nijd.” Op pagina 157/158 heeft diezelfde Erasmus het over diezelfde Hollanders: “Wat de zeden en gewoonten betreft is er geen volk dat meer open staat voor medemenselijkheid en vriendelijkheid en minder geneigd is tot onbeschaafd en gewelddadig gedrag. Het is recht door zee, kent geen ontrouw of bedrog noch ernstige ondeugden, behalve misschien dat het graag plezier maakt en vooral graag feest viert.” Afgezien van de laatste eufemistische opmerking had Erasmus zijn menig ondertussen misschien herzien? Vreemd is dat deze tegenstrijdigheid de auteur blijkbaar niet is opgevallen.

Verder heeft de auteur soms de neiging om door te schieten in zijn overtuiging. Dat de Republiek een genocide aanrichtte op de Molukse Banda-eilanden stelt Simon Rozendaal terecht aan de kaak, maar of het daarbij nu echt nodig is om ‘uit verbazing en boosheid’ ook zijn geschiedenisleraar aan het Johannes Calvijn bij naam te vermelden, is wat sneu. De arme man volgde toentertijd ook maar zijn leerplan en wie weet was hij zélf niet eens op de hoogte van dit onfrisse voorval uit de Hollandse geschiedenis?

Maar nogmaals, deze bedenkingen zijn slechts opmerkingen in de marge van wat mijns inziens verder een subliem portret is van één van Hollands vooraanstaande helden. Simon Rozendaal staat volledig terecht als één man achter het sujet van zijn boek! Verschillende Hollandse zeehelden bleken fout, maar volgens de auteur valt Piet Hein alvast niets aan te smeren, niet alleen omdat hij zes jaar stierf vòòr dat Holland in de slavernij stapte, maar ook gezien zijn (bewezen) tollerante en empatische houding ten opzichte van indianen en zwarten.
Gesterkt door deze overtuiging, schetst Simon Rozendaal met Zijn naam is klein, niet alleen een impressionant beeld over de Gouden Eeuw en het leven van Piet Hein, maar bracht hij ook een echte ode aan deze onbezoedelde zeeheld.

Simon Rozendaal schrijft, zoals hij het zelf plastisch omschrijft, als een snuffelende hond. Verwacht dus geen chronologische, rechtlijnige biografie (wie dat wenst vindt overigens een handige tijdbalk op p. 347), maar sta eerder open voor de serendipiteit waarmee Simon Rozendaal de lezer via allerlei razendinteressante zijweggetjes langs het levenspad van Piet Hein voert. Zijn naam is klein is dus niet alleen een boek over Piet Hein, maar nog veel meer over de tot de verbeelding sprekende tijd waarin hij leefde: de Gouden Eeuw. Een boek voor op de leeslijst van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs.

Reacties op: Schitterende staaltje geschiedschrijving op zilveren vloot(je)

1
Zijn naam is klein - Simon Rozendaal
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Bestel dit boek bij Libris.nl Bestel het boek vanaf € 24,99 Bestel het e-book € 12,99
E-book prijsvergelijker