Lezersrecensie
Hoe het is om niet te deugen
Haalde The ginger man van J.P. Donleavy in Nederlandse vertaling ooit eens uit een straatbibliotheek. Een klassieker naar het scheen, na publicatie in de jaren vijftig verboden in de Angelsaksische landen vanwege het gebrek aan normen en waarden. Zou het? Dat de hoofdpersoon die waarden en normen niet lijkt te hebben, betekent dat niet juist dat het boek daarover gaat? Vriend Sebastian Dangerfield is alcoholist, vrouwenversierder, bedelaar, dief en gewelddadig, ook tegen eigen vrouw en kind. Daartegenover staan zijn dichterlijk gevoel voor woorden, een melancholisch aanschouwen van de wereld en perioden waarin hij royaal, begrijpend en liefhebbend is. Is het niet boeiend in het hoofd te duiken van zo’n mens, te begrijpen hoe dat werkt?
In ieder geval grijpt Donleavy je in zijn mengeling van ultrakorte zinnen met beschrijvingen en zijn stroom van bewustzijn bij de kladden, laat je van Dangerfield walgen én houden. Naar verluidt heeft hij voor de stijl, het in de hoofd kruipen van de personage, een en ander van James Joyce afgekeken. Er zijn slechtere voorbeelden. Opvallend is het heen-en-weer schieten van perspectief tussen ik-vorm en hij-vorm. Het werkt. Dat kan niet worden gezegd van de korte gedichtjes waarmee de hoofdstukken afsluiten.
Een plot of verhaallijn is er nauwelijks. Dangerfield profiteert van zijn omgeving en ontsnapt als de grond hem te heet onder de voeten wordt. Een repeterend verhaal. Een saai verhaal zelfs, ware het niet zo onderhoudend verteld. En als het hem tegen het einde van de roman wel meezit – een vermogende vriend schenkt hem alle luxe; een wellustige vrouw heeft alles voor hem over – probeert hij de eigen glazen in te gooien. Wat moeten we daaruit opmaken? Dat hij de zelfkant van het leven verkiest, dat dromen van vrouwen en geld beter zijn dan ze daadwerkelijk te hebben?
De afdronk is die van een rijk boek, een tijdsbeeld van Dublin en Londen, de andere kant aan de keurige naoorlogse jaren, een boek dat in Nederland een pendant kreeg in de schelmenroman Ik Jan Cremer.