Lezersrecensie
Een pakkend verhaal over een bijzondere vrouw
Ruth Kornberger (1980) heeft het leven van Maria Sibylla Merian als uitgangspunt genomen voor een levendige roman.
Maria Sibylla Merian was een Duitse, die als één van de eersten tekeningen maakte van insecten in hun verschillende levensstadia, en die ze daarvoor ook bij leven bestudeerde. Daarvóór maakte men hoofdzakelijk tekeningen aan de hand van verzamelde en geconserveerde exemplaren.
Zij trouwde op achttienjarige leeftijd, kreeg twee dochters, maar begon zich na haar huwelijk steeds intensiever te wijden aan de studie en het tekenen van de insecten. Zij publiceerde daar ook twee boeken over, uitgegeven door haar man. Op haar achtendertigste verliet zij, met haar dochters, haar echtgenoot wegens diepgaande meningsverschillen en diverse buitenechtelijke avonturen van haar man. Zij vestigde zich bij de labadisten in Wieuwerd, in Fryslân. Zij vond hier nooit echt haar draai, maar zij werd geduld, omdat ook haar moeder en haar broer daar al waren ingetreden.
Volgens het boek ontmoette ze daar een schimmige figuur, Jan de Jong, waarop zij smoorverliefd werd (en hij op haar). Daarna besloot ze zich in Amsterdam te vestigen, samen met haar opgroeiende dochters die haar behulpzaam waren bij het tekenen en inkleuren van de tekeningen, om te ontsnappen aan de benauwende omgeving van de labadisten en om meer bekendheid te geven aan haar werk, en zodoende steun te krijgen voor een reis naar Suriname, waar zij zich helemaal aan de studie en het tekenen van de insecten wilde wijden. Bij tijd en wijle heeft ze hier ontmoetingen met Jan de Jong.
In Amsterdam kreeg ze nog niet de verhoopte erkenning en financiële steun, ondanks pogingen om bijvoorbeeld Tsaar Peter bij zijn bezoek aan Nederland voor haar werk te interesseren. Zij besloot uiteindelijk op eigen gelegenheid en zonder vastomlijnd toekomstplan naar Suriname te vertrekken. Hier probeert ze ook weer, zonder veel succes, om mensen voor haar plannen te interesseren, zodat ze ook hier weer op eigen gelegenheid de binnenlanden in moet trekken. Levendig wordt in het boek de zeer ongelijke verhouding tussen de plantage-eigenaars en de slaven beschreven.
Ook in Suriname kruist ze bij tijd en wijle Jan de Jong haar pad, maar zijn bezigheden blijven vooralsnog vaag.
Na een gevaarlijke tocht de regenwouden in keert zij uiteindelijk met een zwakke gezondheid en haar tekeningen terug naar Amsterdam.
Hier krijgt ze uiteindelijk de erkenning voor haar werk en slaagt ze erin genoeg intekenaren te vinden om haar nu zo beroemde boek over de Surinaamse insecten uit te geven.
Het (fictieve) verhaal over haar verhouding met Jan de Jong is als een rode draad door het verhaal geweven, maar werkt niet echt storend in het beschrijven van haar boeiende leven. In de verantwoording aan het slot beschrijft de auteur wie van de genoemde figuren fictief is (voor zover daar nog twijfel over was) en wie echt heeft bestaan.
De schrijfster is erin geslaagd een goed beeld te geven van de strijd die een vrouw als Merian heeft moeten voeren om haar doel te bereiken. Wie zich voor het werk van Maria Sibylla Merian interesseert, mag dit boek ook niet missen, ook al doet de fictieve romance enigszins afbreuk aan het geheel.