Lezersrecensie
Hafid Bouazza schrijft met vaste hand
‘Een lied is tot ons gekomen dat wij zingen willen, sta ons bij, schone muzen, maar omdat wij niet rijmen kunnen, maar wel trommelen, zullen wij het in proza vertellen’.
Welkom terug, Hafid Bouazza.
De schrijver - van De voeten van Abdullah en het eminente Paravion - heeft de lezer vijf jaar laten wachten op een nieuwe roman. Die is er nu, de titel is Meriswin. Amper een week na verschijnen is het boek al haast achter de persoon van de auteur zoek geraakt. Hafid Bouazza (44) heeft een alcoholverslaving waar hij niet meer tegen wenst te vechten. Dit heeft door de vele interviews die hij heeft gegeven de aandacht van de roman weggetrokken.
De tijden zijn al lang voorbij dat een roman als een autonoom kunstwerk werd beschouwd. Het boek stond los van de auteur, was de gedachte, en ook al was hij een slechterik, het boek kon er wel om deugen. Wellicht had Bouazza’s Meriswin nog een kans gemaakt als in de roman geen sloten drank hadden gevloeid – cognac bij het ontbijt - en de hoofdpersoon niet met een delirium in het ziekenhuis was beland.
Laat onverlet dat we een poging kunnen doen de roman op zijn literaire merites beoordelen. En dan valt het oordeel redelijk positief uit. Het is en blijft een groot genot om Bouzza’s tuimelende taal te volgen, te savoureren zelfs. Vanaf zijn debuut heeft hij blijk gegeven over een ongekende woorden- en taalschat te beschikken.
Liever dan zich te verliezen in vluchtig hip jargon en neologismen grijpt hij terug op het Middelnederlands of het negentiende-eeuws. Zo schrijft hij: ‘Hij had iets sybaritisch over zich’. Tekstverwerkingsprogramma’s kennen het woord niet, maar anderhalve eeuw geleden betekende het nog gewoon ‘verwijfd’. Bouazza schudt ze zo uit de mouw. Het verrijkt de taalmuziek op schitterende wijze. De beelden, observaties en vergelijkingen buitelen ongeremd over elkaar heen. Overdrijving ligt wel op de loer. Het is siervuurwerk en zelfs hier en daar koud vuur, en dat, zo weten we van Boudewijn de Groot, komt niet in de krant.
Het subtiel verraderlijke van Meriswin zit ‘m uitgerekend in het verschil tussen de hoofdpersoon en de schrijver. De eerste gaat traag ten onder aan zijn eindeloze inname van alcoholische dranken, wat een extra tragische lading krijgt door de al even niet aflatende liefde en zorg van zijn vrouw en muze, Merijne.
De schrijver daarentegen, Hafid Bouazza heeft alles geheel onder controle. Let op zijn subtiele spel met kleuren, met lichaamsdelen (enkels!) en ook wikkelt hij de ogenschijnlijk onbeduidende draden keurig af. Wordt ergens aan het begin gemeld dat een boomhut niet af is, honderd pagina’s verder komt de niet meer verwachte uitleg. Vernuftig, om ‘nuchter’ te vermijden.