Advertentie

Ik herinner me het Kunstenfestival van Watou in 2014 nog goed. Leonard Cohen stond toen centraal als dichter. ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in’ was een zin die rondzinderde. Dit citaat verwijst naar een oude man die zijn been verloor, zich terugtrok in een klooster en zijn verdriet van zich aftekende in onder meer gebarsten vazen. Hij vond uiteindelijk rust, maar hij bleef de barsten in die vazen tekenen: “Door een barst komt het licht binnen.”

Gino Debeyne doet met zijn roman Pantser iets dergelijks. Zijn hoofdpersonage Vik heeft last van tinnitus. Hij hoort constant een piep in zijn oor, te vergelijken met het testbeeld zoals dat vroeger op televisie te zien was. Bij zo’n tien procent van de lijders aan tinnitus zijn de klachten zo erg dat het het leven beheerst. De oorzaak? Blootstelling aan lawaai, een ingrijpende gebeurtenis, stress.

“Een hoge fluittoon is een langzaam slopende sluipmoordenaar, hij nestelt zich achter en in je oren op een ordinaire zondagavond, weigert hardnekkig zich te laten verdrijven, wringt zich door je ogen heen naar je hersenen, installeert er zich comfortabel en bezet van daaruit je hele lijf en leden.(..) Het geluid zet zich voor eens en altijd vast.”

Over wat tinnitus met je doet, hoe die alsmaar durende fluittoon je gek maakt en hoe je ermee om kunt leren gaan vormen de basis van de roman.

Debeyne heeft als vorm voor het verhaal gekozen voor de klassieke tragedie: vijf bedrijven (expositie, intrige, climax, catastrofe en peripetie), die afgewisseld worden met koren. Daarnaast is er eenheid van tijd, plaats en handeling. Deze vorm niet zo toevallig. De auteur is leraar Woord in het deeltijds kunstonderwijs, maar ook toneelregisseur. Hij lijdt aan tinnitus, verloor op jonge leeftijd zijn ouders, heeft een hoorapparaat, had een pantserhart, toneel is een passie van hem. Dus autobiografische elementen zijn in het verhaal zeker aanwezig (zelfs toneelstukken die hij regisseerde zoals Tirza, naar de roman van Arnon Grunberg).

Vik blikt in de vijf bedrijven terug op wat hem overkomen is. In de koren is zijn moeder aan het woord. Zij levert commentaar op wat er gebeurd is, reflecteert, bemoedigt Vik in volkstaal.

De proloog opent met deze prachtige eerste zin: “De PRO 4 knippert één keer en het gefluit van de vogels klinkt op slag uitbundiger.” (…) Het toestel dat hem niet alleen deed horen, maar opnieuw deed leven.”

Daarna ontwikkelt zich het verhaal. De moeder van Vik heeft een kruidenierswinkel, vader is meubelmaker, wordt berispt door zijn baas omdat hij iets te lang pauzeert. “Managers die alleen in cijfers denken stelen hun mensen zelf hun ziel.” Vader houdt van toneel. Theater is voor Vik een schuchtere, creatieve jongen, de ideale vorm om zijn fantasie kwijt te kunnen. Zoals kinderen in de zestiger jaren van de vorige eeuw speelt hij ‘misje’. “Toen al hoorde hij een curieus geluid in zijn oren”. Hij zoekt de vrijheid, groeit op, droomt ervan scenograaf te worden wordt verliefd op Loulou met wie hij uiteindelijk twee kinderen krijgt. De dood van zijn ouders heeft een enorme impact op Vik. Als een fantoompijn duiken zij steeds op in het verhaal.

Door het gefluit verliest hij de grip op zijn leven, sluit zich steeds meer af. Debeyne weet dat mooi te verbinden met beelden uit het theater. Vik heeft het gevoel of hij in een grimmige ‘deurenkomedie’ is beland en “het was of een souffleur hem er aanhoudend aan herinnerde dat hij zijn tekst vergeten was. Hoog. Hard.”

Het verhaal bouwt zich op naar een climax waarin blijkt dat Vik ook last heeft van een Pantserhart. Een verdikte hartzak, die een schild rond het hart vormt en waardoor het niet meer op een normale manier kan uitzetten. Een prachtig beeld: Vik is niet in staat om een normaal leven te leiden door het gefluit in zijn oren, sluit zich af voor de buitenwereld. En fysiek sluit het hart zich af voor het leven.

In het vierde bedrijf, de catastrofe, ontstaat er kortsluiting in het hoofd van Vik met allerlei vreselijke gevolgen. Hij moet de confrontatie met zichzelf aangaan. Het begin van de ontknoping dient zich aan: “Als u dit suizen eens probeerde te zien als een kompaan. Iemand die u in vertrouwen neemt en u leert goed te luisteren. Echt te luisteren.” Het hoorapparaat blijkt uitkomst te bieden, de peripetie, de beslissende wending.

De kern van het verhaal is dat het niet gaat niet om horen, maar om echt luisteren, open te staan voor de ander. Dat echte luisteren is er pas als je je echt kunt richten op wat echt belangrijk is, zonder allerlei geluid daaromheen, zonder dat hinderlijke gefluit. Het verhaal brengt naar boven wat pijn, tegenslag teweegbrengt. Maar impliciet gaat het over het universele thema van de kracht van mensen om met tegenslag om te gaan.

De auteur verweeft in zijn verhaal allerlei mooie doorkijkjes. Zo zijn er de verwijzingen naar de wereld om ons heen. Als Vik bijvoorbeeld een onenigheidje met een medekleuter heeft gehad moeten zijn ouders naar school komen: “Tegenwoordig dienden conflicten via herstelgericht groepsoverleg te worden begeleid en uitgeklaard.” Dan zijn er de verwijzingen naar de theaterwereld: “De dokters voerden de controle. Zij bepaalden hoe het script zou lopen. Het duurde eindeloos maar er kwam geen Godot.” (verwijzing naar het theaterstuk Wachten op Godot). Er zijn ook intertekstuele verwijzingen: het gedicht van Guido Gezelle, ‘Boodschap van de vogels’ als het over het gefluit in de oren gaat. Er zijn referenties aan geschiedenis, popsongs, beeldende kunst. Het past allemaal perfect in het verhaal en zorgt voor verdieping.

Er valt niet alleen te genieten van mooie metaforen, humor, maar ook van het ritme van de taal en de herhaling. Stress wordt zo voelbaar door taal. “Hij moest zich haasten om op te staan. Hij moest zich haasten om zich te wassen. Hij moest haasten om zich aan te kleden. (…) Zich haasten om zijn rol te kennen. Zich haasten om een lief te vinden. (…) Hij moest zich verduiveld haasten om dat miserabele gefluit in zijn oren voorbij te hollen. Om het te kunnen pakken. Te vernietigen.” Vooral aan het begin gebruikt Debeyne lange zinsconstructies alsof hij het doolhof wil schetsen waarin Vik zich bevindt op zoek naar de uitgang.

Debeyne overtuigt met Pantser, geeft ruimte voor verbeelding. ‘Door een barst komt het licht binnen.’



Reacties op: Door een barst komt het licht binnen