Lezersrecensie
Pact met de duivel.
Deze roman werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 bij Querido in Amsterdam!
“De Duitse jeugd leerde het woord pacifist als een scheldnaam te gebruiken; de Duitse jeugd hoefde geen Goethe of Plato meer te lezen, ze leerde schieten, bommen gooien, ze leefde zich uit bij nachtelijke terreinoefeningen; als de Führer over vrede kletste, begreep ze dat hij het alleen maar als een grapje bedoelde. Deze militair georganiseerde, gedisciplineerde, gedrilde jeugd kende slechts één doel, had slechts één vooruitzicht: de vergeldingsoorlog, de veroveringsoorlog: Elzas-Lotharingen is Duits, Zwitserland is Duits, Holland is Duits, Denemarken is Duits, Tsjecho-Slowakije is Duits, de Oekraïne is Duits, Oostenrijk is zo bijzonder Duits, dat er eigenlijk geen woorden aan vuil gemaakt hoeven te worden. Duitsland moet zijn koloniën terug. Het hele land verandert in een legerplaats, de wapenindustrie floreert, het is een permanente en totale mobilisatie, en het buitenland kijkt in spanning naar dit imposante, afschrikwekkende schouwspel, zoals een konijntje naar een slang die hem gaat opvreten.”
Klaus Mann die al in 1933 uit Duitsland was weggevlucht had het goed gezien. De Kristalnacht (1938) moest nog komen. In het nawoord van Gerrit Bussink lezen we dat bijna alle karakters in dit verhaal te herleiden zijn naar echte personen. Niet alleen Göring en Goebbels maar bijvoorbeeld ook Klaus Mann zelf, zijn zus Erika en zijn vader Thomas Mann. De hoofdpersoon, de acteur Hendrik Höfgen, lijkt op de bekende Duitse acteur Gustav Gründgens. Dat is ook de reden dat dit boek in Duitsland pas begin jaren ’80 werd gepubliceerd. Het verhaal dat Klaus Mann hier vertelt wordt het best samengevat met een citaat uit een Het verhaal van een Duitser van Sebastian Haffner:
“Een klein pakt met de duivel, en men behoorde niet meer tot de gevangenen en vervolgden, maar tot de overwinnaars en vervolgers. Dat was de eenvoudigste en grootste verleiding.”
En het is met humor geschreven. Onderstaand citaat gaat over de vrouw van Göring, die in dit verhaal Lotte von Lindenthal heet.
“Ze geloofde in alle ernst dat God het goed met haar voorhad, omdat hij haar zoveel juwelen had doen toekomen. Gebrek aan fantasie en intelligentie behoedde haar ervoor, dat ze aan een toekomst dacht die met dit heden erg weinig overeenkomst zou vertonen. Zoals zij daar liep, met opgeheven hoofd en stralend door het licht en ieders bewondering, was er in haar hart geen enkele twijfel over de duurzaamheid van deze rozengeur en maneschijn. Nooit – dacht ze vol vertrouwen – nooit zou deze glans van haar afvallen; nooit zouden de gemartelden zich wreken, nooit zou de duisternis bezit van haar nemen.