Lezersrecensie
Willen als opmaat tot handelen
Arendt, Hannah
Willen: het leven van de geest/ Hannah Arendt; vertaald door Dirk de Schutter en Remi Peeters.- Zoetermeer: Klement; : Pelckmans, .- 299 pagina's; 22 cm.
Vertaling van : Willing.- New York: Harcourt Brace Jovanovich, 1978.- (The life of the mind; volume 2)..-
Met literatuuropgave, register
ISBN 978 908687 142 1
Tweede deel van Arendt's Het leven van de geest, waarin ze de geschiedenis van de filosofie opnieuw onderzoekt, maar nu op het willen, dat ze als een opmaat tot het handelen beschouwt, naast het oordelen. Ze ondervraagt Paulus, Epictetus, Augustinus, Thomas van Aquino en Duns Scotus over de kwestie van de (vrije) wil, waarbij het willen en kunnen van het Goede aan de orde komt. In het Duitse idealisme heeft men zich afgewend van God of het Hogere, die leidraad waren voor de wil, terwijl Nietzsche en Heidegger respectievelijk met het Amor Fati en de gelatenheid reageren. Dat laatste situeert HA in de tijd na de Kehre, tussen het verschijnen van Heidegger's beide delen over Nietzsche in. In feite zet Arendt hier een stippellijn naar haar eigen denken over nataliteit en de nieuwe mogelijkheden van elke nieuwgeboren mens om te beginnen met de wil om iets nieuws in de wereld te zetten dmv het handelen. De wil is nog reflectief van aard, terwijl het handelen gebeurt in de wereld. Willen strekt zich uit tot in de toekomst. Achteruit willen is (helaas) niet mogelijk.
In De filosofen van de wil, een algemeen hoofdstuk voorafgaand betoogt A. dat Duns Scotus in de late middeleeuwen de enige is die de contingentie stelt boven de noodzakelijkheid, ook in 'Gods daden'. Ook geeft ze in de moderne filosofie Bergson gelijk die zegt: 'De meeste filosofen zijn niet in staat...zich een denkbeeld te vormen van radicale nieuwheid en onvoorspelbaarheid...De weinigen die geloven in het liberum arbitrium, reduceren dit tot een eenvoudige 'keuze' tussen twee of meer opties, alsof deze opties 'mogelijkheden' zijn ...en het de wil slechts toekomt een van deze mogelijkheden te 'realiseren'. Vandaar dat ze nog altijd aanvaarden dat alles gegeven is. Zij lijken nooit ook maar de geringste notie te hebben van een volkomen nieuwe activiteit...En dat is precies wat we bedoelen met een vrije handeling (La pensée et le mouvant, p. 10).
Voor de ouden had de wil te maken met keuzemogelijkheden. Paulus, in het vroege Christendom noemt de wil als een nieuw soort innerlijkheid. Je moet (de wil van God)willen
willen. Tegenover dit willen staat altijd een niet willen, wat niet een afwezigheid van wil betekent, maar een actief niet willen. Velle en Nolle, die in een soort gevecht verwikkeld zijn met elkaar. (Brief aan de Romeinen)
Epictetus, als vertegenwoordiger van het Stoīcisme, wil aanvaarden wat nu eenmaal gebeurt en als een ware Stoīcijn de lusten en de lasten van het leven dragen. Dit is een 'Lebensbeja-ung', De wil zou in staat moeten zijn om het innerlijk van de mens in die gewenste, evenwichtige balans te houden, in voor-, en tegenspoed.
Augustinus heeft met zijn Confessiones, maar ook in de Civitate Dei, in De ordine en in een klein werkje De librio arbitrio. onderzocht hoe precies de menselijke wil zich kan invoegen in de goddelijke. Augustinus' denken over de wil is zeer beīnvloed door Paulus. Hij stelt de wil als aparte geestelijke activiteit naast de ratio en de begeerte. Ook stelt HA dat Augustinus de enige Middeleeuwse filosoof is geweest die verwezen heeft naar het echte verschil dat de mens kan maken. Hij stelt de soortwezens van vóór de mens tegenover de enkelvoudige schepselen.( Civitate Dei, hoofdstuk xxi en xx).
Prachtig rijk boek, vol met filosofisch-historische kennis. Om vaak na te slaan.