Lezersrecensie
Koortsachtige monologen
Veel mensen vinden dat Lobo Antunes allang de Nobelprijs had moeten krijgen, en zelf vind ik dat ook. Zijn stijl is namelijk volstrekt uniek, en ook heel prachtig. Bij al zijn romans moet ik moeite doen om het goede ritme en tempo te vinden en echt goed 'in het boek te komen', maar zodra dat dan lukt levert het ook een zeldzaam genot op. Ook weer in "Als een brandend huis", zijn laatste boek. De opzet daarvan is erg origineel: bewoners van acht appartementen in een huis in Lissabon vertellen om beurten hun verhaal, dat steeds bestaat uit een lange en alle kanten op meanderende zin van ruim tien bladzijden, vol geciteerde uitroepen van anderen of ingebeelde tegenspraken van anderen. De emoties worden niet gerationaliseerd of verklaard maar in hun volle rauwheid op papier gekwakt, de associaties - reacties op een toevallig geluid, spontane herinneringen, plotselinge mijmeringen, flarden van een droom die nergens wat mee te maken lijken te hebben- worden niet geordend maar direct uitgesproken, en zo ontstaan koortsachtige monologen die alle kanten op bewegen en volop uiting geven aan het koortsachtige gemoed van de vertellers en aan alle tegenspraken in hun hoofd. Die vertellers zijn allemaal zwaar getourmenteerd: een bejaarde en redelijk racistische oud-militair die in Angola heeft gevochten denkt vol wanhoop terug aan zijn liefde en afkeer voor een Angolese mulattin, enkele joden die in de jaren dertig uit Duitsland zijn ontsnapt denken met panische verbijstering terug aan alle gruwelen en denken nog steeds elk moment te kunnen worden afgevoerd, een dronkaard schreeuwt zijn wanhopige liefde en eenzaamheid uit tegen zijn vrouw en dochter die hij tegelijk volkomen terroriseert, en ga zo maar door.
Dat is allemaal behoorlijk heftig, en die heftigheid komt voluit naar voren in de ademloze monologen van Lobo Antunes. Ik geef even een wat langer fragment om een indruk te geven. "... als er achter ons huis een dennenappel viel was ik het die viel, als er een haan was die niet kon slapen was ik het die kukelde, ik heb mijn prostaat laten onderzoeken en verleden week heb ik de uitslag opgehaald, die me verontrust, ik keer er steeds weer naar terug als naar liefdesverdriet, de dokter scheurde de envelop langzaam open, dat doen ze altijd en ik probeer dan hun gezicht te lezen, zijn ogen onbewogen op mij gericht en het is zijn gezicht dat mij leest, mijn onzekere leven wordt bleek in zijn handen, zijn mond gaat open en weer dicht om tijd te winnen... " Zulke zinnen schrijft Lobo Antunes dus, zinnen die in werkelijkheid steeds ruim tien bladzijden duren, en die dan ook nog eens vol geciteerde uitroepen van anderen zitten of van imaginaire interrupties of toevallig opgevangen geluiden. Steeds een soort monologue interieure die tegelijk een polyfone koorzang van meerdere elkaar interrumperende stemmen is, ook al omdat de vertellers voortdurend van de hak op de tak springen en daarbij heden en verleden even makkelijk vermengen als werkelijkheid en droom, en ook nog eens volop in discussie gaan met zichzelf.
Dat vraagt van de lezer wel een andere leeshouding: naar mijn gevoel juist NIET een analytische en langzame leeswijze waarin rustig alle nuances worden uitgeplozen, maar de koortsachtige overgave en concentratie die nodig is om het moordende tempo bij te houden zonder de draad te verliezen. Lezen dus alsof je LUISTERT naar de personages, waarbij je dan zo goed als het gaat meebeweegt met wat ze zeggen in het tempo waarin ze het zeggen, en waarbij je elk oordeel opschort. De zinnen bewegen in al hun grilligheid mee met het kolkende gemoed van de personages; als lezer beweeg je zo goed als je kunt mee met die zinnen, en daarmee ook met het kolkende gemoed dat in die zinnen ten tonele wordt gevoed. Naar mijn gevoel vraagt de stijl van Lobo Antunes om onderdompeling, en is die onderdompeling tegelijk een oefening in empathie. Dat elk hoofdstuk uit EEN ellenlange meanderende zin bestaat lijkt wellicht een loze krachttoer van Lobo Antunes: het lijkt misschien alsof hetzelfde verhaal ook gewoon in twintig wat kortere en strakkere zinnen had kunnen worden verteld. Maar doordat alles in die ene zin gepropt wordt krijgt het verhaal steeds een enorme kortademigheid en koortsachtigheid, wat nog versterkt wordt doordat die zin alle kanten beweegt. Die koortsachtigheid is feitelijk pure ongefilterde emotie: alsof de heftigheid van wat de personages doormaken wel veel komma's verdragen, maar niet een punt; alsof hun emoties totaal haaks staan op de grammatica en de normale eisen van tekstopbouw; alsof hun roerselen het hen gewoon onmogelijk maken even adem te halen of een pauze te nemen. En de lezer kan dan niets anders doen dan zich onder te dompelen in precies die ongefilterde koortsachtige emotie. Tenzij hij het boek gewoon in de hoek slingert natuurlijk, maar dan ontzegt hij zich wel een boek vol uniek leesgenot.
Exact hierom hou ik van Lobo Antunes: om zijn unieke stijl, om zijn heel eigen versie van de alle kanten op bewegende monologue interieure, om de wijze waarop die innerlijke monoloog recht doet aan de grilligheid en innerlijke tegenstrijdigheid van menselijke emoties, om zijn indringende toon vol pijnkreten en uitgeschreeuwd onvermogen, en om de overgave waartoe hij zijn lezers uitnodigt, een overgave die tegelijk een oefening is in empathie. Hij schrijft prachtig, en dat levert mij groot esthetisch genot op, maar hij schrijft bovendien ongekend emotionerend. En vooral dat vind ik geweldig.