Lezersrecensie
Het fascinerende romandebuut van Mulisch
Dit is het even grillige als fascinerende romandebuut van Harry Mulisch. Hier heeft Mulisch naar mijn gevoel nog niet de strakke stijl- en vormbeheersing zoals in bijvoorbeeld De Aanslag: sommige passages vind ik rijkelijk cryptisch, sommige metaforen vind ik ronduit lelijk, en sommige passages staan bol van een orakeltaal die mij helemaal niet bevalt. Maar daar staan ook veel mooie beeldende passages tegenover, en de roman geheel fascineerde mij door zijn even raadselachtige als ambigue diepgang.
De hoofdpersoon belichaamt de even aanlokkelijke als gevaarlijke kanten van een bepaald soort verbeeldingskracht: de verbeeldingskracht van de kunstenaar die de ondoorgrondelijke en ongedefinieerde diepten van het menselijk bestaan wil peilen, diepten die schuilgaan onder onze conventies, voorstellingen en woorden. Het lijkt op 'het volstrekte leven', een Mulisch-begrip uit het later geschreven Voer voor psychologen: een enorme intensiteit van bestaan omdat ALLES wordt ervaren als volstrekt onbekend, zodat ook ALLES met bijna pijnlijke ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid wordt ervaren. Een wereld die veel rijker is dan de ons bekende wereld, maar ook aardig wat ongrijpbaarder en angstaanjagender. Zoiets zoekt ook Archibald Strohalm. Hij bekijkt de wereld alsof die afkomstig is uit oeroude raadselachtige mythen. Hij ervaart de werkelijkheid als een orgiastische natte droom. Tevens laat hij zich in met allerlei verdrongen Freudiaanse verlangens. Door dat alles transformeert hij ook zichzelf, waarbij hij uiteindelijk helemaal desintegreert en van zichzelf afsplitst. Alsof hij in een oneindig paleis van vervormende spiegels terecht komt, en temidden van al die vervormde drogbeelden niet meer weet wat waar is en wat niet. Archibald Strohalm vervalt uiteindelijk tot gekte en schizofrenie.
Toch is deze roman veel meer dan een ziektegeschiedenis: Strohalm is niet ALLEEN maar gek en betreurenswaardig, hij verdient OOK enige bewondering omdat hij zijn ontdekkingsreis in het onbekende zo ver durft door te voeren. Bovendien zijn Strohalms visioenen niet alleen maar waanzin: de werkelijkheid die hij ziet is radicaal anders dan de onze, maar daarmee niet per se onwerkelijk. Intrigerend is ook nog dat e.e.a. verteld wordt door een naamloze verteller, die als het ware alwetend boven de gebeurtenissen zweeft, maar TOCH vaak schrikt van wat Archibald Strohalm overkomt. En als ik het goed begrijp is Archibald uiteindelijk een projectie van die verteller. Die verteller beseft donders goed hoe gevaarlijk het is om zo radicaal het onbekende op te zoeken, en waagt dit dus niet ZELF: hij onderzoekt dit onbekende INDIRECT, door iemand te verzinnen die zich daar helemaal in onderdompelt en daarbij tot het uiterste gaat. Die verteller combineert dan overgave aan het onbekende met een bepaalde distantie. Door zijn overgave vangt hij glimpen op van 'het volstrekte leven', maar door zijn distantie wordt hij door dit 'volstrekte leven' niet overweldigd. De verteller bedrijft daarmee een soort experimenteel onderzoek, een ontdekkingsreis in de wereld van mythe en Freudiaanse droom, maar VIA Archibald Strohalm. Het schijnt dat Mulisch zelf een tijdje de waanzin nabij was, en deze crisis als het ware gesublimeerd heeft in Archibald Strohalm.
De verteller zou daarmee dan model staan voor de auteur Mulisch. Maar in zekere zin staat die verteller voor mij ook model voor de lezer. Door mee te leven met Archibald Strohalm krijgt de lezer IETS mee van 'het volstrekte leven', waarvan hij dan even een tijdje gefascineerd en verontrust nasiddert: daarna echter gaat hij weer vrolijk verder met het leven van alledag. Maar niet zonder een klein beetje van Strohalms fascinerende waanzin te hebben overgenomen! Zelf vond ik dat lang geen verkeerde ervaring: ooit zal ik ook dit debuut van Mulisch dus wel eens herlezen.