Lezersrecensie

Een wonderlijk poëtische novelle


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
30 mrt 2021

Ik las onlangs achter elkaar drie boeken van Sjón: "Blauwvos" was het derde, en mijn vijfde Sjón-boek in totaal. Met deze novelle won Sjón de prestigieuze prijs van de Noordse raad, en brak hij nationaal en internationaal door. Niet zonder reden, want is echt een klein juweeltje dat bovendien mooi is vertaald door Marcel Otten. Dit dunne maar rijke boekje excelleert door zijn poëtische taal, waarin weinig woorden gebruikt worden en waarin al het belangrijke tussen de regels door wordt gezegd. En ook door de suggestieve plot, die mij verraste, en bevreemde, maar die voor mijn gevoel uiteindelijk helemaal klopt.

Twee raadselachtige verhaallijnen worden in "Blauwvos" op fraaie wijze ontwikkeld en verbonden. Een van die verhaallijnen gaat over een jager en een blauwvos. Dat verhaal opent met de zin "Blauwvossen lijken merkwaardigerwijs zo veel op stenen dat je je eigenlijk over zou moeten verwonderen", en gaat daarna verder met dichterlijke en uiterst gecondenseerde zinnen die deze verwondering nog vergroten. Een van de hoofdstukken, over de jager, volstaat bijvoorbeeld met de zin: "De zon warmt het witte mannenlijf en de harde sneeuw die met een aarzelend gekraak week wordt, is het gezang van de ochtendvogel". En wat te denken van prachtzinnen als "De sneeuw bedekte het land helemaal tot aan de voet van de gletsjer, nergens een kaal plekje aarde en de vos zou haar reisverhaal op de sneeuwvlakte schrijven, meteen als ze eraan begon".

De blauwe kleur van de vos wordt bovendien vaak fraai geassocieerd met het blauw van de onmetelijke hemel, en daardoor krijgt de blauwvos in mijn beleving de allure van het hemelse, het goddelijke, het bovenaardse dat vergeefs nagejaagd wordt. Of, misschien, van het onwezenlijk en onaards schone mysterie dat niet zou moeten worden nagejaagd of neergeschoten, maar dat in stilte zou moeten worden vereerd en gekoesterd. Misschien daarom wordt over de jager, een priester die vaak op vossen jaagt om geld te verdienen, gezegd: "Maar hoe dichter [hij] bij zijn doel kwam, des te minder mens er in hem was maar des te meer dier". Of ook "De knal van het buskruit schreeuwt: HOOR DE MAN!". Alsof de mens (of op zijn minst de man) vooral een jager is, die zich via knallende geweren laat horen, en zo de "goddelijke stilte van de wildernis" verstoort.....

Overwint de jager of de vos? Overwint het geweld of respect voor de goddelijke en mysterieuze stilte? Dat ga ik niet verklappen. Maar wel dat deze verhaallijn een aantal verrassende wendingen bevat, en adembenemende surrealistische scenes, plus enkele metamorfoses, en veel poëtische suggestie. En dat alleen daardoor al het mysterie volgens mij wel overheerst, ook al overwint het wellicht niet....

De andere verhaallijn gaat over een meisje met het syndroom van down, dat door iedereen is verstoten (zoals helaas vaker gebeurde in de late 19e eeuw), maar waarover ene Fridrik zich heeft ontfermd. Alleen, nu is ze gestorven. Fridriks verdriet daarover wordt zeldzaam effectief geëvoceerd, in heel verstilde termen en puur tussen de regels door. Op een manier dus die het mysterie koestert en bewaart, zonder het eenduidig te benoemen en daarmee dood of plat te slaan. Ook het verdriet van de op haar verliefde Halfdan, die net als het meisje als een "halvegare" wordt gezien, wordt ontroerend mysterieus beschreven.

Opmerkelijk is bovendien hoe die halvegare "afwisselend [staart] naar de ketel en het fornuis, maar meer naar het fornuis. Het is een befaamd wonder der techniek dat nog maar weinigen hebben gezien". Ziet juist die halvegare, omdat hij anders kijkt dan normale mensen, wonderen en mysteries die deze normale mensen niet zien? Die suggestie wordt naar mijn gevoel wel gewekt, in een paar fraaie poëtische zinnen die ik niet ga verraden. En ook bij het "debiele" meisje lijkt dit het geval. Ze heet "Abba", heeft dus een dichterlijke palindroom als naam, maar die naam heeft ze om veel plattere redenen gekregen: dit was het eerste geluid dat de dorpelingen van haar hoorden, en voor de rest kan ze volgens die dorpelingen alleen maar dommig brabbelen. Zoals ze ook alleen maar als een niets begrijpende debiel kan kijken naar de wereld. Denkt men.

Alleen: misschien, zo wordt op het eind van de novelle gesuggereerd, is haar gebrabbel wel een doorontwikkelde alternatieve taal, die door 'normale' mensen niet begrepen wordt. Bovendien, ze verzamelt vogelveren, en die verzamelde ze in een boek. Dat "het formaat van een middeleeuws psalmboek" heeft, en wie weet zelfs een door 'normale' mensen niet herkend psalmboek IS. Want het verzamelen van die veren is misschien wel Abba's manier om de mysterieuze wereld te celebreren en bezingen. "Het is Abba's vogelboek, waarin ze nauwgezet en met liefde veren heeft verzameld. Ze lijmde ze op de bladzijden en volgens haar aanwijzingen heeft Fridrik de naam en het geslacht van de vogels opgeschreven, samen met de vindplaats van de veren. Hij heeft zich vaak afgevraagd waar Abba al haar kennis over vogels vandaan had, maar hij kreeg van haar geen antwoord en toen hij probeerde haar meer kennis over natuurkunde bij te brengen bedankte zij hem vriendelijk en zei dat ze in vogels was geïnteresseerd". Alleen die laatste zin al: natuurkunde interesseert haar niet, alleen vogels..... De vogels zoals gezien door iemand die door geen enkele "kunde" of conventionele abstractie wordt gehinderd? En die daardoor weer mysteries worden, in plaats van kenbare wezens die door de verschillende kundes worden gedefinieerd en geclassificeerd?

Twee verhaallijnen dus, die ogenschijnlijk totaal van elkaar verschillen maar allebei doordrenkt zijn van poëtisch mysterie. En dat neemt nog toe door de verrassende wijze waarop die lijnen uiteindelijk worden verbonden. Het poëtische mysterie, vol verstilling en geheim, staat kortom wel heel sterk voorop in deze novelle: volgens mij niet alleen als kenmerk van de stijl en vorm, maar ook als het overkoepelende thema van het boek. Het mysterie dat in de gewone taal van alledag geen ruimte krijgt. Het mysterie dat je wel bij benadering ervaart in de goddelijke stilte van de wildernis, het wonderlijke blauw van de blauwvos, het voor normale mensen onverstaanbare gebrabbel van idioten die misschien juist dichters zijn, zonder dat iemand dat doorheeft. Het mysterie waar ook Fridrik, ook als liefhebber van poëzie, sterk gevoelig voor lijkt: "Mallarmé raakt me als een bloeiende rozenstruik die zich spiegelt in een oog, een geurende zakdoek, of een libel die zich nestelt op de schouder van een zwemmer in een kalm stromende rivier". Het mysterie kortom dat je in elke regel van "Blauwvos" voelt. Wat een parel van een boek. En wat een schrijver.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur