Lezersrecensie
Enkele romans van Cheever
John Cheever gold in de jaren ’60 en ’70 als een literaire gigant: de Amerikaanse evenknie van Tsjechow, de man die m.n. in zijn verhalen als geen ander de leegte en verstilde wanhoop wist te vangen die schuilging onder de Amerikaanse droom. Zijn verhalen heb ik jaren geleden al eens jubelend gelezen en bewonderd. Zijn romans echter nog nooit: die golden tijdens zijn leven als zeer mislukt, omdat ze vormeloos en onsamenhangend zouden zijn. Bovendien vreesde ik dat ze jaren na dato gedateerd zouden wezen. Aan de andere kant: romans van zo’n geniale stilist als Cheever kunnen ook niet puur slecht zijn, en in Nederland worden ze nu met veel vreugdekreten herontdekt. Dus las ik achter elkaar “The Wapshot Chronicles” , “The Wapshot Scandal” en “Bullet Park”. En mijn god, ik vond alle drie de romans echt briljant. Pure leesfeesten, meneertje: vol werkelijk adembenemend prachtige zinnen, vol met werkelijk krankjoreme verassingen, steeds met een plot die door idiote (hoewel steeds schitterende) uitweidingen wordt overwoekerd maar die juist daardoor steeds boeit en betovert.
“The Wapshot Chronicles”, Cheevers romandebuut, is heel vrolijk en vaak zelfs hilarisch van toon, alhoewel de angst voor dood en verlies steeds door de zinnen heen kiert. Die angst, en het nijpend melancholische gevoel van de leegte en zinloosheid der dingen, wordt nog wat pregnanter in het vervolg, “The Wapshot Scandal”. De uitweidingen en terloopsheden zijn nog steeds hilarisch, net als in het eerste Wapshot-boek, maar zijn sterker doordrenkt van mislukking, tragiek en vergeefsheid. Bovendien, door die uitweidingen krijgt het boek een erg meanderend karakter: de roman wordt niet door een strakke logica of plotlijn voortgestuwd, maar door het grillige ritme van terzijdes, toevalligheden en bizarre zijsprongen.
Juist dat meanderende karakter maakt op m.i. fenomenale wijze voelbaar hoe stuurloos de personages van Cheever zijn: hun leven ontbeert richting, een innerlijke noodzaak, een anker, een kompas. Hun levensloop is losgeslagen, en precies dat wordt geïllustreerd en onderstreept door de al even ‘losgeslagen’ structuur van de romans. Vooral in de tweede Wapshot-roman vind ik dat geniaal gedaan: schitterend hoe Cheever de dooltocht van zijn personages niet uitlegt of toelicht, maar invoelbaar maakt door je als lezer onder te dompelen in net zo’n grillige dooltocht. En briljant is ook de rijkdom aan tonen en stijlen waarin Cheever die dooltocht ten tonele voert: hij evoceert de evidente tragiek en leegte op heel pregnante wijze, maar hij is ook erg goed in het oproepen van vrolijkheid, zonnigheid en even vluchtig als intens geluksgevoel. Bovendien, door hun plotloosheid zitten Cheevers boeken ook vol verrassingen en levendigheid. Ja, alle onvoorspelbaarheid zorgt voor een tragische ondertoon omdat alle vastigheid erdoor ontkend wordt, maar tegelijk is die onvoorspelbaarheid OOK bevrijdend omdat alles nog alle kanten op kan en niets nog is uitgestippeld of vastgelegd.
Dat bevrijdende karakter zit ook in “Bullet Park”, Cheevers derde roman, die zelfs nog grilliger is dan de vorige twee. Maar tegelijk ook zwarter, waanzinniger, angstaanjagender. Een van de hoofdpersonen, Nailles, overtuigt zichzelf steeds opnieuw ervan dat hij de trotse vader is van een modelfamilie in een Amerikaanse suburb. De wijze waarop hij dat doet is tragi-hilarisch: dolkomisch, maar tegelijk grijpt zijn verdrogen wanhoop je als lezer stevig bij de strot. Al helemaal zodra hij ons vertelt dat hij niet meer in de forensentrein durft te stappen, omdat deze niet langer meer een vanzelfsprekende verbindingsschakel is tussen zijn suburb en zijn werkomgeving in New York. Wat dus betekent dat zijn leven als gewone Amerikaanse ‘commuter’ van zijn vanzelfsprekendheid is beroofd. Hetgeen nog erger wordt omdat zijn zoon ineens dagen lang uit bed weigert te komen, alleen vanwege diens wat onbestemde gevoel dat zijn ouderlijk huis eigenlijk een ‘kaartenhuis’ is. Een gevoel dat in totale depressie ontaardt. Een depressie die nog kattenpis is vergeleken bij de innerlijke troebelen van buurman Hammer: een gevaarlijke gek, maar niettemin verontrustend herkenbaar in zowel zijn wanhoop als in zijn verlangen naar geluk en rust.
Ik vind ook “Bullet Park” echt overdonderend goed: zelden heb ik zulke prachtige zinnen gezien over de waanzin en chaos die onder elk oppervlak kan schuilen, zelden ben ik zo meegesleept door personages die zo gestoord en tegelijk zo verontrustend herkenbaar waren, en zelden werd ik zo vrolijk puur vanwege iemand schrijfstijl. Want zelfs Cheevers meest zwartgallige en wanhopige zinnen maken mij vrolijk, puur omdat ze zo onnavolgbaar elegant en raak zijn geformuleerd.
Neem bijvoorbeeld de volgende zin: “The evangelist was a plain man dressed plainly in gray – not ugly- but possessing one of those disconcerting faces that have no harmony”. Een vrij normale zin, op zichzelf genomen, maar in de context van de roman enorm raak en effectief: Hammer zoekt namelijk wanhopig troost en rust in een kerk, dus naar herstel van zijn innerlijke harmonie, en wat hij ziet is dan dus een evangelist wiens gelaat meteen al die hoop in de bodem slaat. Vervolgens– en dat is dan weer kenmerkend voor hoe Cheever ons steeds weer verrast – levert de kerkdienst TOCH een m.i. mooi beschreven gevoel van verlossing op: “The (…) sense of shared humanity moved me deeply. It seemed to me then that the cruel burdens of insularity, suspicion, loneliness, fear and worry had been lifted”.
Deze mooi beschreven troost wordt dan echter – en ook dat is kenmerkend voor hoe Cheever ons steeds verrast- gevolgd door een even geëxalteerde als dubbelzinnige beschrijving door Hammer van zijn mede-kerkgangers: “As they turned away, after the blessing, many of their faces were radiant, and what point would there be in my asking how long their exaltation would last? They must return, many of them, to empty rooms, the care of invalids, bankrupt marriages, contumely, ridicule and despair, but some promise had been made”. Geweldig vind ik dat: zinnen waarin hoop en wanhoop even sterk doorklinken en elkaar in evenwicht houden, waarin ook de hoop op verlossing extra intens naar voren komt doordat de onderliggende wanhoop ook zo duidelijk doorklinkt. Daardoor (en door de contrasten met de zinnen ervoor) wordt ook de innerlijke worsteling van Hammer zelf nog weer eens extra scherp voor het voetlicht gezet. Zoals ook in de volgende, quasi-terloopse zin: “Hammer’s face was thin and he frequently touched it with his fingers – a sort of groping gesture as if he were looking for something he had lost”.
Ja, ik was al een fan van Cheever vanwege zijn verhalen, maar nu ben ik ook een fan vanwege zijn romans. De beroemdste daarvan, “Falconer”, staat vrolijk en ongelezen naar mij te kwispelen in mijn boekenkast. Evenals Cheevers dagboeken, die ook prachtig schijnen te zijn. En zijn verzamelde verhalen ga ik vast nog een keer herlezen. Wat een schrijver!