Lezersrecensie

Een trilogie gevuld met fantasievolle zijpaden en stijlwisselingen


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
28 mrt 2021

De IJslandse schrijver Sjón (pseudoniem van Birgir Sigurðsson, geboren 27 August 1962) is in zijn eigen land nogal een fenomeen: door zijn samenwerking met de beroemde artieste Björk, door zijn optreden in een popband, en door meerdere uiterst fantasievolle en verrassende romans waarin hij met alle conventies breekt. Zelf was ik helemaal flabbergasted van het ongelofelijk spectaculaire en veelvormige "Uit de bek van de walvis", en ik amuseerde mij prima met het surrealistische "De jongen die nooit heeft bestaan". Dus ik was wel benieuwd naar zijn trilogie "Codex 1962", die gek genoeg nog niet in het Nederlands is vertaald. De drie delen werden gepubliceerd in 1994, 2001 en 2016: tussen de delen door had Sjón allerlei andere projecten, vandaar die lange pauzes. De drie delen samen leveren nogal een dikke en heterogene pil op, terwijl Sjón normaal gesproken vrij dunne boeken schrijft. Maar de totaal onconventionele wildheid van zijn dunnere romans viert ook in deze trilogie weer hoogtij. En dat beviel mij heel goed, ook raakte ik bij sommige van Sjóns virtuoze capriolen en acrobatische zijsprongen wel eens de aandacht kwijt.

De drie delen van de trilogie worden aangeduid als respectievelijk "love story", "crime story" en "science fiction story". Per deel is er dus sprake van een ander literair genre. Bovendien wordt in elk deel ook nog eens met tientallen verschillende genres gespeeld: de "love story" zit bijvoorbeeld vol met eigenzinnige hergebruikte Bijbelse motieven, met folkloristische magie, met surrealistische droomachtigheid die mij sterk deed denken aan Bruno Schulz, met een Fritz Lang- pastiche vol omineuze schaduwen en irrationele angst uitvergrotende beelden, en nog veel meer. Er is in al die delen een soort alwetende ik- verteller, die tegelijk een personage is in het verhaal: een van de hoofdpersonen zelfs, namelijk Josef Loewe, die ons op heel fragmentarische en associatieve wijze meer vertelt over hoe hij geboren werd als golem, dus als een uit magische klei gekneed levend wezen die tevens een soort verlosser moet zijn van de door oorlog geteisterde mensheid. Maar die ik- verteller is, apart genoeg, geregeld in dialoog met "iemand anders" - een soort personificatie van de lezer, of van een getuige, of mogelijk ook een ander personage- over aard en vorm van zijn verhaal. Wat trouwens mooie reflecties oplevert op aard en waarde van literatuur en verbeeldingskracht.

Dus we hebben te maken met een ik- verteller die voortdurend associatieve zijpaden kiest, zijn verhaallijnen op de gekste momenten afbreekt en met andere afwisselt die hij dan ook weer afbreekt, daarbij steeds van stijl en vorm en genre verandert, en die over dat alles - en over de wijze waarop hij dat alles vertelt- ook nog eens in dialoog gaat met "iemand". Dat is allemaal wel heel apart en origineel, en het zorgt voor veel verrassingen. Te meer omdat er in deel 3 van het boek ineens een andere verteller het verhaal overneemt, die ons in overweging geeft dat alle verhalen van Josef misschien wel verzonnen zijn, en dat hij zichzelf alleen maar als Golem ziet omdat hij anders niet weet om te gaan met de zinloosheid van zijn pijnlijke leven en lot.

Door die wending raak je als lezer nog benieuwder naar de afloop: hoe gaat Sjón al die heterogene en afgebroken verhaaldraden bij elkaar knopen, hoe eindigt het raadselachtige verhaal over Josef Loewes leven, en gaat hij zich manifesteren als magische Golem die de mensen verlost of toch niet? Waarop de trilogie nog weer een wending beleeft, en nog een, en nog een: het verhaal over Loewe lijkt ineens door een andere verhaallijn overgenomen te worden. Maar ook die wordt weer afgebroken.

Door alle zijpaden en door de veelheid van stijlen motieven rees al de vraag waar het verhaal precies over ging. Maar doordat het verhaal over Loewe ineens opgevolgd en zelfs overgenomen wordt door een ander, al even kernloos verhaal, met nog weer een andere verteller, rijst zelfs de vraag wat het verhaal nou eigenlijk precies IS. Of op zijn minst welk verhaal nou het hoofdverhaal is in deze trilogie. Of hoe de titel samenhangt met de verschillende verhaallijnen en de zijpaden binnen die verhaallijnen. En door dat alles blijft de lezer, zodra hij het boek dichtslaat, vol vragen en open eindes achter. Wat volgens mijn precies Sjóns bedoeling is: hij wil geen afgerond verhaal vertellen met een heldere conclusie, maar hij wil een pluriforme en oneindige verhaalwereld scheppen die juist door zijn ongrijpbaarheid nog lang blijft nazingen in ons hoofd....

Volgens mij is dat heel aardig gelukt. Ik moest wel wennen aan die gefragmenteerde en heen- en- weer springende vorm, en aan de steeds maar uitblijvende antwoorden en conclusies en ontknopingen, maar ik vond al die stijlwisselingen en open eindes ook wel weer heel prikkelend en opvrolijkend. Bovendien, de zijpaden staan vol fraaie passages, waarin verbeeldingskracht hoogtij viert. Bijvoorbeeld over Marie- Sophie en Leo Loewe, die samen hun golem - dus: Josef Loewe- kneden: "Yes, Marie- Sophie and Loewe met in each other's eyes, they crossed over into the dim antechamber of the soul where lovers dwell when they close their eyes together, where thought flutters on rose- pink curtains and we look in even as we look out". Nee, geen fysiek geconsumeerde liefde en een via de normale seksuele wegen verwekt vleselijk kind, maar een ontmoeting in de diepere kamers van de ziel die samen gaat met alchemistische en magische creatie van nieuw leven. Dat is wel heel andere koek dan de liefde die u en ik menen te kennen en ervaren, of de liefdes uit meer conventionele liefdesverhalen, en precies dat vind ik stimulerend. Het dwingt mij immers om mijn voorstellingsvermogen wat op te rekken, en daar houd ik wel van.

Nog stimulerender vind ik misschien de volgende passage, uit een zijpadverhaal dat zomaar ineens gaat over de onvoorstelbare God op het onvoorstelbare moment zelf van de schepping: "The instant the word sprang to his lips, God acquired sight. He saw that He was omnipresent. He saw Himself from every angle, from above and below, from all sides at once. And as God had no awareness of up and down, here or there - everything was simultaneously the beginning and the end- His consciousness was whole and undivided, while being present in every nook and cranny of the world that was coming into being [...]. He was both one and many. His mouths opened. 10_47 seconds later the light had begun to flow it reached God's eyes wherever He was present. The glare was so dazzling that He instinctively raised a hand to shield them [...]. Bus just as an infinite number of hands were passing an infinite number of mouths on their way to shield the countless eyes, the light fell on the back of God's hand, and to His astonished delight it passed right through, streaming red from His palm".

Fraai proza, vind ik, omdat het zoveel kleur toevoegt aan de Bijbelverhalen die we al kennen, en omdat daardoor het raadselachtige van de schepping - het zo verbazende en onverklaarbare ontstaan van onze wereld en ons leven- zo mooi ALS raadsel wordt beschreven. Wat ook gebeurt in een passage iets verderop: "Out in the black void, the light projected images made of the incomprehensible substance from which the Creator had created Himself. And God is still holding His mighty hand before His mouth". Ook de geboorte en creatie van Josef Loewe onderlijnt trouwens dat raadsel: hij ontstaat immers langs onbekende alchemistische wegen, via wonderbaarlijke magie. Althans, dat is MISSCHIEN het geval, want dit is een versie van zijn levensverhaal die later wordt betwijfeld. Maar precies dat "misschien" vergroot ook weer het raadsel. Net als het feit dat dit verhaal - en andere versies van het verhaal over Josefs geboorte en leven- voortdurend met andere verhalen wordt afgebroken, en in verschillende open eindes uitmondt. Zodat het aan ons als lezers is om te dromen over hoe al deze raadsels vorm zouden kunnen krijgen in nog weer heel nieuwe verrassende verhalen....... Door die open eindes blijven de raadsels dus leven, ook nadat het boek uit is.

Ik had moeite om bij al die zijsprongen mijn aandacht vast te houden, en de vele open eindes vond ik soms vermoeiend. Zo meesterlijk als "Uit de bek van de walvis" vond ik "Codex 1962" dus zeker niet. Misschien is het bovendien gewoon te lang en te veel, misschien is Sjón - wiens andere romans veel dunner zijn- wel op zijn sterkst als hij kort en bondig blijft. Maar ik was niettemin wel gecharmeerd door de veelvormigheid en originaliteit van "Codex 1962", door de vele thema's en stijlen en genres waar Sjón mee speelt, en door Sjóns uitbundige en ongeremde fantasie. Dus ik ben heel tevreden, en ik vind het prettig om te weten dat ik nog meer van Sjón in mijn ereader heb .

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur