Lezersrecensie
Een ongelofelijk rijke essaybundel
Ik vond dit een werkelijk ongelofelijk rijke en inspirerende bundel essays en reportages. Bij de bundel A supposedly fun thin I'll never do again gaf ik al aan dat je David Foster Wallace geweldig vindt OF helemaal niks, en ik vind hem dus voorlopig geweldig. DFW heeft mij weten te boeien met stukken over totaal verschillende onderwerpen: een reportage over een prijsuitreiking voor pornofilms; een mooi essay over waarom DFW Updike-fan is en toch teleurgesteld is in sommige Updike-boeken; prachtige korte stukken over Kafka en Dostojevski; een schrijnend kort stuk over paniek die hem overvalt als hij, tijdens '9/11', niet aan een Amerikaanse vlag kan komen en over de vervreemdende wanhoop die hij bij de TV-beelden voelt; een hilarisch stuk over een kreeftenfestival met daarin wel weer pijnlijke vragen over onze eetgewoonten (gekoppeld aan filosofische vragen óver het pijngevoel van kreeften); een ogenschijnlijk stompzinnige autobiografie van Tracy Austin die toch (voor DFW tenminste) veel te denken geeft (tot associaties met de Griekse tragedie en de verlichte toestand van monniken aan toe); een uitvoerige beschouwing over een nieuwe 'Dictionary of American Usage' en ideologische/sociologische aspecten van taalgebruik; een geniaal stuk over John McCain en een al even geniaal stuk over een rabiaat rechtse radio-presentator die volkomen flipt vanwege het vrij rond lopen van O.J. Simpson.
Het is om te beginnen al imponerend dat DFW zo boeiend kan schrijven over zoveel totaal verschillende onderwerpen. Nog iets imponerender vind dat hij in elk geval MIJ weet te boeien met onderwerpen die ik normaal mijd als de lepra: Tracy Austin boeit mij totaal niet, maar wat DFW over haar zegt wel, en porno interesseert mij geen zier, maar zoals DFW erover schrijft boeit het mij immens. Al was het maar vanwege zinnen als: 'There is something deeply surreal about standing behind a female performer in hot-pink peau de soie, a woman whose clitoris and perineum you have priorly seen, and watching her try to get a microwaved egg roll onto her plate with a cocktail fork'. Van zulke zinnen krijk ik dus helemaal de slappe lach en word ik volkomen hilair. Ook al omdat DFW zo mooi het absurde oproept van zo'n grote bijeenkomst met tientallen pornosterren en pornotycoons. Dat absurde heeft trouwens volgens mij tegelijk ook een wanhopige en diep-treurige ondertoon: ik lach mij dus gek om DFW, maar voel daarbij, paradoxaal genoeg, ook een zekere melancholie. Vergelijkbaar met wat DFW schrijft over, jawel, humor (!) bij Kafka: '[t]he really central Kafka joke: that the horrific struggle to establish a human self results in a self whose humanity is inseparable from that horrific struggle. That our endless and impossible journey toward home is in fact our home'. Naar mijn smaak vat DFW hier op echt geniale wijze Kafka samen in twee zinnen. Maar misschien zegt DFW ook wel iets heel wezenlijks over zichzelf, en misschien is de kern van ZIJN vaak hilarische humor wel heel erg vergelijkbaar. Dat laatste denk ik niet alleen vanwege de volgens mij zo kenmerkende combinatie van hilariteit en wanhoop. Ik denk het ook vanwege de erg tastende VORM van DFW's stukken: door die vorm zijn deze essays eveneens te zien als 'struggle' en 'endless and impossible journey'. Ze staan vol enerzijds-anderzijds overwegingen, afdwalingen, passages waarin hij eerdere uitspraken nuanceert en/of terugneemt en/of met extra context aanvult, of waarin hij zijn eigen autoriteit ter discussie stelt.
Prachtig doet hij dat in zijn stuk over de existentiele vragen die Dostojevski oproept, waarin DFW, tussen asterisken, steeds prangende existentiele vragen stelt over o.a. wat het betekent een moderne Amerikaan te zijn. En uiteraard staan daar ook vragen bij als: hebben we niet het vermogen verloren om onszelf, zoals Dostojevski, tot op het bot te bevragen? Zijn dit soort vragen, als we ze nu zouden stellen, niet een soort belachelijke pose? En al helemaal als je die vragen (zoals DFW zelf doet!) tussen asterisken stelt? Dit essay is dus een eindeloze worsteling, door de vragen die erin gesteld worden, maar ook doordat bij die vragen weer vragen worden gesteld. DFW is even beroemd als berucht om zijn veelvuldige en ellenlange voetnoten, die zijn essays behoorlijk ingewikkeld maken: je kunt a.h.w. niet gewoon van begin naar eind lezen, maar je moet steeds ook die voetnoten checken en dan merken dat die de hoofdtekst niet verhelderen, maar ingewikkelder maken. Volgens mij is dat dus een bewuste keuze: het onderwerp is steeds a.h.w. te ingewikkeld om 'rechttoe rechtaan' te behandelen, en daarom kiest DFW voor al die afdwalingen en complicerende voetnoten.
In een van zijn essays maakt hij het nog gekker: daarin staan allemaal tekstboxjes, die door pijlen met de hoofdtekst worden 'gelinkt', maar soms ook eindeloos naar elkaar doorverwijzen. Ook zo maakt DFW tot in de bladspiegel aan toe 'voelbaar' hoe complex het onderwerp is. Zo complex dat hij het niet kan vatten in een tekst, maar alleen in een bonte verzameling aan elkaar gelinkte 'hyperlinks'. Een manier van schrijven dus die de complexiteit van het onderwerp ten volle wil tonen. Dat vind ik mooi.
Maar nog mooier vind ik de enorme GENUANCEERDHEID van DFW. In het essay met al die tekstboxjes nuanceert het ene boxje het andere, geeft het ene boxje een 'enerzijds' of extra overweging bij een 'anderzijds', en juist daardoor kan DFW alle ruimte geven aan genuanceerde aandacht voor een rabiaat rechtse radio-presentator die in alles afwijkt van dat waar DFW voor staat. In zijn stuk over John McCain geeft DFW alle ruimte aan enerzijds zijn eigen cynisme (alle goede redenen die hij heeft om geen enkele politicus te vertrouwen), anderzijds zijn verlangen TOCH in bepaalde idealen te geloven, daaraan verbonden zijn vermoeden dat McCain oprecht is (zij het van een rechtse signatuur die DFW niet deelt), maar dan wel met de bedenking dat die oprechtheid verpakt wordt in een boodschap waar honderden marketingfiguren en PR-strategen over hebben nagedacht. In zijn stuk kiest DFW dus niet voor cynisme of voor geloof, maar beschrijft hij zijn voortdurende aarzeling daartussen. Zoals hij in zijn stuk over de rechtse radio-presentator niet zomaar 'tegen' die man is, ook niet zomaar 'tegen' de wildgroei aan rechtse radiozenders, en ook niet zomaar 'tegen' alle media-aandacht voor O.J. Simpson, maar oprecht allerlei verschillende facetten van alle kanten onderzoekt. En nog op een originele manier ook.
Het zal duidelijk zijn dat je ook wel hard moet werken bij DFW: je moet goed opletten bij al die nuances in al die voetnoten, en zelf moest ik ook voortdurend googelen om zijn maffe taalgebruik (soms vol 'slang', soms vol hypergeleerde woorden) en zijn verwijzingen te kunnen volgen. En wat ik geweldig vind, namelijk zijn even wanhopige als hilarische humor en al zijn genuanceerde afdwalingen en uitweidingen, dat vindt een ander vast vreselijk. Maar who cares: ik heb mij uitbundig vermaakt met deze man, en ik ga nu vol verwachting aan zijn fictie beginnen!