Lezersrecensie
Fragmentarische openheid en tegendraadsheid
Ik was wel benieuwd naar dit dagboek: ik heb net Frisch' romans "Stiller" en "Homo Faber" gelezen, las op internet dat het "Dagboek 1946-1949" volgens velen de kern van Frisch' oeuvre is, en dus besloot ik de Nederlandse vertaling die al jaren in mijn boekenkast stond er eens uit te trekken. Daar had ik bepaald geen spijt van!
Eigenlijk IS het helemaal geen dagboek: het is een verzameling fragmenten, aanzetten tot verhalen of toneelstukken, essays, aforismen, herinneringen en invallen. Mooie impressionistische stukjes over zijn reis door het door WO II verwoeste Duitsland worden afgewisseld met intrigerende essays over het paradoxale gevoel dat we "jaloezie" noemen; droomachtige verhalen over het leven als rollenspel of over marionetten worden afgewisseld met prachtige stukjes over toneel, oprechtheid; fraaie stukken waarin betoogd wordt dat elk oordeel een versimpelend beeld geeft van de werkelijkheid en de medemens worden afgewisseld met al even fraaie stukken waarin betoogd wordt dat niet oordelen alleen maar tot vrijblijvendheid leidt. Frisch schrijft ook schitterend over natuurtaferelen die je anders nooit ziet: taferelen die, doordat ze "terra incognita" zijn, de verbeeldingskracht enorm stimuleren. Maar op andere plekken schrijft hij even schitterend over hoe we in feite nooit het heden ervaren: alle belevenis (dus ook bij die spectaculaire natuurtaferelen) is vooral herinnering of verwachting, maar - aldus Frisch- dus geen 'directe gewaarwording' van de dingen in het hier en nu.
Het boek zit dus vol fragmenten die op zichzelf al intrigerend genoeg zijn, en elkaar door hun onderlinge contrasten of grillige verbanden nog intrigerender maken. Je kunt bovendien eindeloos heen en weer dwalen tussen al die fragmenten zonder ooit tot een definitieve conclusie te komen: de fragmenten BLIJVEN fragmenten, worden nooit een sluitend geheel. Frisch schrijft ergens: "De schets kent richting maar geen eind; de schets als uitdrukking van een wereldbeeld dat niet meer of nog niet gesloten is: als schroom voor een formele totaliteit die voor de geestelijke uit snelt en slechts geleend goed kan zijn; als wantrouwen jegens het kant en klare dat onze tijd verhindert ooit een eigen volmaaktheid te bereiken- ".
Precies dat is de kern van dit dagboek: Frisch verafschuwt het voltooide, het "kant en klare" en kiest voor de openheid en suggestieve werking van het fragment. De hoofdpersoon uit Frisch' roman "Stiller" opent het boek met "Ik ben Stiller niet!": hij bedoelt daarmee in feite "Ik ben JULLIE Stiller niet, ik ben veel interessanter en veelkantiger dan het kant en klare beeld dat jullie van mij hebben in jullie hoofd". Precies die tegendraadsheid en openheid komt ook aan alle kanten naar voren in het "Dagboek 1946-1949". Ik hou daar erg van. Daarom heb ik dit boek weer met veel plezier gelezen, al vond ik "Homo Faber" en vooral "Stiller" nog net wat sterker. Erg aanstekelijk, die Frisch: ik word erg vrolijk van zijn fragmentarische openheid en zijn tegendraadsheid. Vermoedelijk zal ik dus nog wel meer gaan lezen van die man!