Lezersrecensie
Een imponerende treurzang van onmacht en onvermogen
Waarom heeft de Portugees Antonio Lobo Antunes niet allang de Nobelprijs gewonnen? Ieder boek dat ik van hem ken is even overweldigend als bedwelmend, ook het net vertaalde "De andere kant van de zee". En de vertaling van zijn vaste meestervertaler Harrie Lemmens swingt ook nu weer als een tierelier. Wat een barok leesfeest, mensen, wat een genot: het is één langgerekte treurzang vol onmacht en onvermogen, en vol stuitende en groteske taferelen, en toch moet ik jubelen om dit zo schrijnende lied.
Drie personages lopen om de beurt helemaal leeg in een ademloze monoloog, steeds in een almaar voortdenderende zin die een kleine twintig pagina's en een heel hoofdstuk duurt. In die zin switcht de verteller steeds bliksemsnel tussen het hier en nu en het verre verleden, tussen mijmering en koortsachtig delirium, tussen vertwijfelde herinneringen en hallucinatoire verzinsels. En ook bliksemsnel tussen het oude en gedesillusioneerde personage van nu en het angstige kind of de gedesoriënteerde puber van ooit. Ook worden hun manische monologen doorspekt met - al dan niet gefingeerde- uitroepen van anderen, of zelfs met manische gedroomde monologen van hun vader, hun opa, hun moeder, hun jonggestorven zusje. Daardoor krijgen al die manische monologen het karakter van een meerstemmig hoorspel: in die monologen klinken immers steeds ook de stemmen van anderen door, en bovendien geeft de verteller steeds stem aan allerlei verschillende ikken uit heden en verleden. Alsof elk personage tegelijk ook het jengelende kind is van vroeger. Alsof niemand één persoon is uit één stuk, en iedereen juist een totaal heterogene veelheid is van verschillende ikken met verschillende ongehoord heftige angsten en emoties. Bovendien staan die meerstemmige monologen, die meanderende ademloze verbale erupties, bol van indringende en raadselachtig poëtische beelden, die de intensiteit van de monologen nog vergroten en het uitgeschreeuwde niet- weten nog verder versterken. Te meer omdat die beelden ook in latere monologen weer worden herhaald, soms zelfs in verschillende monologen van verschillende personages. Door die herhalingen gaan die beelden steeds nadrukkelijker klinken als obsessies, waar de personages niet aan kunnen ontkomen. Bovendien gaan die herhalingen vaak gepaard met kleine verschuivingen in de context en de betekenis, zodat de toch al raadselachtige beelden alleen maar raadselachtiger en rijker gaan klinken.
Dit boek samenvatten is dan ook onmogelijk. En met een analytische leeshouding, zoekend naar de kern en de tastbare hoofdlijnen, kom je volgens mij ook niet heel ver. Volgens mij vraagt Lobo Antunes altijd, en ook in dit boek weer, om overgave en onderdompeling: meebewegen met de meanderende monologen, alsof je geduldig luistert naar iemand die ademloos, associatief en vol emotie leegloopt. En dan proberen die emoties en associaties in al hun schakeringen te volgen, zonder oordeel maar met veel empathie. Sommige recensenten zeggen dat je Lobo Antunes hardop moet lezen: dat je dus echt empathisch moet luisteren naar zijn personages. En dat hardop lezen is tegelijk ook nodig om het zo poëtische en meeslepende ritme van Antunes' zinnen goed te proeven. Tegelijk las ik veel passages ook in stilte opnieuw, om de raadselachtige beelden goed tot mij te laten doordringen. Antunes lezen vraagt dus volgens mij niet alleen om een empathisch oor, maar ook om enig gevoel voor poëzie. En dus vraagt Antunes om opschorten van het oordeel: de lezer moet zich laten meevoeren met de vaak onbegrijpelijke en soms vrij stuitende emoties van de personages, en met aandacht stilstaan bij de even indringende als raadselachtige poëtische beelden.
Antunes' vrij unieke stijl en vorm zetten de merkwaardigheid van onze wereld kortom wel heel scherp in perspectief. Dat past prima bij een chaotische en turbulente periode die voor alle drie personages erg bepalend was: alle drie personages worden namelijk bespookt door hun verleden in Angola. En dan vooral door de intense gewelddadigheden rondom een opstand van de uitgebuite Angolese katoenplukkers in 1961, geleid door de charismatische 'profeet' Antonio Mariano. Twee van de personages zijn fysiek in Portugal maar mentaal in Angola, een andere is troosteloos achtergebleven in Angola maar hallucineert voortdurend over Portugal. Alle drie personages zijn ergens tussen Angola en Portugal verdwaald, en dolen daardoor rusteloos aan beide oevers van de zee die deze landen scheidt. Dat rusteloze en vertwijfelde dolen, en dat onmachtige verdwaald zijn in de turbulente gewelddaden van de geschiedenis en in alle grillige emoties die dat oproept, wordt prachtig belicht door hun lange, intense en voortdurend meanderende zinnen. Bovendien dwingen die zinnen empathie af voor personages die ik in het dagelijks leven acuut zou mijden of verwerpen: twee van hen, een legerofficier en een ambtenaar, zijn namelijk regelrechte racisten, met werkelijk stuitende denkbeelden en overtuigingen. Regelrechte klootzakken, zelfs, die mij alleen al door hun woordkeus meteen tegenstaan. Maar door hun uitgesnikte onmacht en onvermogen voel je als lezer toch mee met hun pijn. Ik in elk geval wel. En daarmee rekt Lobo Antunes mijn invoelende vermogen, of op zijn minst mijn vermogen om een vernietigend oordeel op te schorten, behoorlijk op. Meer dan ik voor mogelijk hield. Geen idee hoe Lobo Antunes dat flikt, maar hij flikt het.
Zie bijvoorbeeld de volgende passage, waarin een van de personages- een in Angola achtergebleven ambtenaar-, leegloopt over o.a. zijn relatie met een albino- negerin, een vrouw die hij voor een paar geiten heeft gekocht. Dat is vrij stuitend, zoals het ook tamelijk stuitend is om te zien hoe de ik- figuur over 'zwarten' spreekt. En toch overweegt voor mij vooral de ontroering, omdat de ik- figuur zo nadrukkelijk verdwaald is in het leven en omdat hij zo'n onmachtige en onuitgesproken liefde uitschreeuwt voor de hem ondoorgrondelijke albino. Wat hij feitelijk in stilte doet: de lezers horen de kreet, maar de albino niet. Omgekeerd hoort de ik- figuur ook taal noch teken van de albino, wat zijn onmacht en onvermogen weer versterkt. Bij elke geciteerde uitroep springt de tekst - dus: de zin van een kleine 20 bladzijden- even in, wat ik weergeef met "/....".
De betreffende passage (dat kleine stukje uit een meanderende zin) gaat als volgt: "terwijl mijn peettante /'Jongen'\ als ze naar me keek zonder me te zien, zoals mijn verkering in Lissabon mij ook niet zag, wie heeft zich tot nog toe om mij bekommerd, mijn ouders /'Kun je dan geen minuut stil zijn?'\ dat wil zeggen alleen hun stemmen hoewel de rest er ook was, de lichamen de gezichten, wie interesseert zich voor mij, wie komt me helpen als ik 's nachts bang ben, wie schrijft op wat ik niet zeg, wie neemt de angst weg die ik voel, wie ziet de tranen die ik niet heb, de albino /'Meneer'\ zonder te wijzen naar de schuur, die brandde terwijl de volgelingen van Antonio Mariano reusachtig groot werden door de vlammentongen in de struiken, eentje had een geit vast, een andere achtervolgde een kip met een drijvende nier, gezien het feit dat ze over haar poten struikelde en met een gestrekte hals tegen de afrastering botste, de albino, van wie ik niet weet wat ze voelt en denkt, gehoorzaamt slechts, waarom ga je niet weg, waarom blijf je bij mij, waarom kijk je naar me zonder te kijken, en de honden die rondlopen in het dorp zo vuil, zo langzaam, op de klok die ginds aan de muur hangt geeft alleen de kleine wijzer al God weet hoelang zomaar een tijdstip aan, net zo vervreemd van het leven als jij, struikelend over zichzelf, wat vinden ze van mij, ik snap de tijd niet omdat ik de zwarten hier niet snap, ze lachen en er is geen reden om te lachen, praten zonder reden om te praten, altijd zo ver van ons af hoewel dichtbij, niet eens over pijn klagen ze, onverschillig, ik heb je nooit bezorgd gezien maar ook nooit vrolijk, geen zucht, geen klacht, geen gebaar, als ik je zou vragen, als ik je zou kunnen vragen en dat kan ik niet / 'Hou je van mij?'\ een zwijgen waarin zich volgens mij geen enkele innerlijke golf roerde [....].".
Alleen Antonio Lobo Antunes kan zulke passages schrijven, waarin hij mij zo laat meevoelen met de grillige emoties van een onversneden klootzak. Wat hij ook in veel andere passages voor elkaar krijgt, bijvoorbeeld in de volgende waarin dezelfde ik- figuur alleen - dus: zonder zijn albino- in bed ligt: "Als het dag wordt in Namibe zonder iemand naast me, de andere helft van het laken gekreukt, verlaten, ruikend naar een mens maar toch leeg, nog niet licht, de fletse schaduwen die voorafgaan aan de ochtend, geen geluid in huis, geen stem, geen lopende kraan, geen vermoeden van leven, alleen dat kraken waarmee de vloerplanken zichzelf de vraag stellen /'Waar zijn we?'\ zonder ooit antwoord te krijgen, dan hoor ik soms de stem van mezelf toen ik klein was een /'Mama'\ roepen van een kind dat doodsbang is in de vorm van een traan, met al mijn ogen [....]". Alleen al dat beeld van een vloerplank die zich afvraagt "waar zijn we", even gedesoriënteerd als de ik- figuur..... En bovendien dat beeld van een doodsbang kind "in de vorm van een traan"..... Ook prachtig vind ik de volgende poëtische passage, waarin de ik- figuur zich verbaast over het ondoorgrondelijke raadsel dat de albino, als witte negerin die bijna versmelt met het zand en het maanlicht, voor hem is: "jij die mij als ik wakker was nooit aanraakte, zoals ik nog nooit een glimlach van je gezien of een woord van je gehoord heb, omdat je zo wit was wierp je geen schaduw in het zand en in het donker kon ik je nauwelijks zien vanwege de vlekken van de maan.....". Door hun onmachtige emotie zijn deze passages naar mijn smaak heel ontroerend. En door hun beelden zijn ze in mijn beleving bovendien intens poëtisch.
Hij is achter in de zeventig, Antonio Lobo Antunes, maar hopelijk nog lang niet uitgeschreven. Ook is nog niet alles van hem al vertaald. Bovendien heb ik niet alles wat van hem vertaald is ook gelezen. En Lobo Antunes herlezen lijkt mij bepaald geen straf. Ik hoop dus dat ik mij nog vele jaren kan blijven bedwelmen aan het unieke proza van deze formidabele Portugees.