Lezersrecensie

De grillige fantasie van een buitenstaander


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
13 mrt 2016

Sjón is binnen maar ook buiten IJsland een superster in opkomst, en ook met zijn laatste boekje, "De jongen die nooit heeft bestaan", heeft hij veel IJslandse literatuurprijzen gewonnen. Het is inderdaad een heel poëtisch, fantasievol en stijlvol boekje, maar ook volkomen tegendraads en van een speelsheid die zich aan geen enkele grens wenst te storen. Daar hou ik wel van, dus las ik dit boekje (slechts 128 blz. dun, maar er staat veel meer tussen de regels) met veel plezier, al vond ik zijn vorige boek - het naar mijn smaak volkomen overrompelende "Uit de bek van de walvis"- wel nog wat sterker.

Het verhaal speelt zich af in IJsland, aan het eind van WO I. Een land aan de rand van de grote wereldgebeurtenissen: het ondergaat de wereldoorlog en het einde daarvan anders dan andere landen, maar wordt wel extra hard gegrepen door een vulkaanuitbarsting en de Spaanse griep. We beleven dit verhaal dan vanuit het perspectief van Mani Stein, die wees is, uitgestoten uit zijn school, homoseksueel en mannelijke prostituee, en bovendien passie heeft voor film, vooral voor de als suspect ervaren surrealistische film "Les vampires". Kortom: we krijgen de geschiedenis voorgeschoteld van een als marginaal te beschouwen land, vanuit het perspectief van iemand die binnen dat land aan alle kanten de rol van gemarginaliseerde buitenstaander krijgt opgedrongen. Via Mani Stein, gemarginaliseerde in een land dat zelf niets meer is dan een verdrongen voetnoot in de wereldgeschiedenis, krijgen we een opmerkelijk vervreemdend en verschoven perspectief op diezelfde wereldgeschiedenis. Of beter, op datgene wat binnen die wereldgeschiedenis vaak gemarginaliseerd wordt. En dat gebeurt ook nog eens via surrealistische visioenen, waarin verbeelding en werkelijkheid steeds meer verknoopt raken: Mani Stein en zijn geliefde Sola Gudb- versmelten meer en meer met personages in "Les vampires", een surrealistische thriller waarin een misdadig genootschap een hele stad uitmoordt, en het door de Spaanse griep en vulkaanaanvallen geteisterde Reykjavik verandert steeds meer in de uitgemoorde stad in "Les vampires" en in een reeks van koortsdromen. Fantasie en realiteit worden steeds meer ononderscheidbaar, zodanig zelfs dat het op het eind van het boek volkomen onbeslisbaar is wie of wat Mani Stein is: heeft hij bestaan, of was hij niks meer dan een filmbeeld, of de fictieve dubbelganger van een andere gemarginaliseerde homoseksueel?

Veel in het boek is dus zwevend en onbepaald, en van onwerkelijkheid doordesemd. Sommige recensenten vinden het een manco van dit boek, en vinden dat de grenzen tussen wat fantasie is en wat werkelijkheid scherper hadden moeten zijn getekend. Maar ik vind het een kracht: die sfeer van onwerkelijkheid past naar mijn smaak juist uitstekend bij gevoelens van ontzetting en "wat GEBEURT hier" die horen bij zulke rampen als een vulkaanuitbarsting of de Spaanse griep, en de surrealistische visioenen zijn van een extreme koortsachtigheid -en ook vol nachtmerries van slijm en bloed- die m.i. helemaal aansluiten bij de extreme symptomen van de Spaanse griep. Bovendien is het onwerkelijke ook eigen aan de buitenstaanderspositie: Mani Stein staat zo enorm buiten datgene wat door de maatschappelijke orde als "de werkelijkheid" is gecodificeerd dat hij geen enkele andere uitingsvorm heeft dan zijn grillige fantasie. En dat deze fantasie het vanuit zijn optiek vaak overneemt van de werkelijkheid is dan eigenlijk best ontroerend: het onderstreept hoezeer hij gedwongen is om de hem zo vijandige werkelijkheid om te vormen met zijn fantasie. Waarbij hij dan tevens lak heeft aan de conventie dat fantasie en werkelijkheid duidelijk van elkaar afgebakend behoren te zijn.

In dit boekje is de grillige en grenzeloze fantasie dus een soort wapen van de weerlozen en gemarginaliseerden. Maar het is tegelijk natuurlijk ook een uitnodiging om de wereld met heel andere ogen te bekijken en je daarbij aan geen enkele conventie te storen. Die uitnodiging slaat bij mij altijd wel aan. Zeker als die zo uitnodigend is opgeschreven als hier door Sjón. De stijl van die man is namelijk echt fascinerend en onconventioneel poëtisch. Dat blijkt uit de vele erg meeslepend opgeschreven koortdsromen, en uit de fascinerend geschreven scenes waarin surrealistische filmbeelden als het ware samenvallen met beelden uit de werkelijkheid. Of ook uit de wijze waarop de kleur rood steeds weer terugkomt, die voor Mani Stein associaties oproept met de vulkaanuitbarsting, de Spaanse griep, bloed en een halsdoek van Sola Gudb-; een kleur dus die door de vaardige pen van Sjón steeds meerdere uiteenlopende werelden verbindt. Maar ook uit de volgende poëtische beschrijving van iets dat eigenlijk, vanuit conventioneel oogpunt dan toch, alleen maar gruwelijk is: "De geelgeschilderde kist ziet eruit als een lijkkist, afgezien van een raampje in het deksel dat licht en zuurstof toelaat en ervoor zorgt dat de patiënt naar buiten kan lijken. Grauwbleke vingers met purperrode nagels zoeken tastend de rand van het raampje af, aarzelend als het blad van een ontluikend bloempje...".

Ik heb mij dus erg vermaakt met de grillige en grensoverschrijdende fantasie van Sjón. Dat smaakt naar meer!

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur