Lezersrecensie

Obsederende verlokking van het onmogelijke poolavontuur


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
10 mrt 2019

Ik zit in een Ransmayr-periode: na vol vuur genoten te hebben van "Cox, of het verglijden van de tijd" en "De laatste wereld" las ik nu zijn romandebuut "De verschrikkingen van het ijs en de duisternis". En dat beviel weer prima, ook al werd ik niet zo weggeblazen als door die eerdere twee meesterwerken.

De constructie is vernuftig: een naamloze ik- verteller poogt het duistere en fascinerende lot te reconstrueren van zijn in het barre noorden verdwenen vriend Josef Mazzini, die op zijn beurt uit mateloze fascinatie het bizarre verloop poogde te reconstrueren van een rampzalige - overigens waar gebeurde- Noordpoolexpeditie van ruim honderd jaar geleden. Mazzini ging aan die zoektocht ten onder, zoals de hem fascinerende poolreizigers ten onder gingen. Die Noordpoolexpeditie was, zo reconstrueert de ik- verteller terwijl hij tegelijk Mazzinni's lot en fascinatie reconstrueert, een onderneming van geobsedeerden, voortgejaagd door de passie om het volstrekt onbekende te exploreren, nieuwe landen te ontdekken, nieuwe volstrekt onmogelijke vaarroutes te vinden die leiden naar ongekende nieuwe rijkdommen. Maar ook om zich onder te dompelen in regionen en woestenijen waar de huidige moderne Westerse wereld geen weet meer van heeft. En zowel Mazzini als de verteller zijn gegrepen door de obsessie om deze obsessieve exploratie van het onbekende na te voelen, te begrijpen, in hun eigen ervaring te integreren.

De onmogelijke onwerkelijkheid tekent het verhaal aan alle kanten. Bijvoorbeeld door de verbijsterende gewaarwording van een van de poolreizigers dat die Noordpool die hem en zijn reisgenoten zo obsedeert "niets [meer is] dan lijnen die elkaar snijden in een punt waarvan in werkelijkheid niets te zien is". Waarop de ik- verteller, al reconstruerend, mijmert: "Ik heb geprobeerd mij voor te stellen wat een eenvoudig mens moet ondergaan die, op een vastgevroren schip voortdrijvend, omgeven door alle verschrikkingen van het ijs en de duisternis, plotseling inziet dat zijn doel eigenlijk iets onzichtbaars is, een waardeloos punt, een niets. Het bleef bij een poging. Ik kon zo'n vreselijke teleurstelling niet navoelen". De Poolreizigers worden door hun barre tocht geconfronteerd met het onmogelijke niets; de verteller, en eerder ook Mazzini, ervaren in hun pogingen tot reconstructie de onvoorstelbaarheid van dat onmogelijke niets. Zoals de ik- verteller, deels via Mazzini, ook vergeefs de overweldigende schoonheidservaringen poogt te begrijpen die voor de poolreizigers zelf al volkomen onbegrijpelijk waren. Die opmerkelijke vertelstructuur, waarbij de obsessief maar vergeefs reconstruerende ik- verteller de obsessieve vergeefse reconstructies van Mazzini verdubbelt, benadrukt voor mij heel mooi hoe onbevattelijk die barre en bizar mislukkende Noordpoolexpeditie inderdaad was. Voor de poolreizigers zelf, maar ook voor Mazzini en de verteller.

Intrigerend is bovendien hoe de ik- verteller, met inzet van al zijn verbeelding en puzzelend met de - overigens authentieke- dagboekaantekeningen van de in noordelijke ijszeeën vastvriezende Noordpoolreizigers, echt adembenemend gestalte geeft aan de grillige en voortdurend vervormende werelden van sneeuw, ijs, hallucinerende luchtspiegelingen, totale ontbering en onvoorstelbaar bodemloze duisternis. Ondanks dat de ik- verteller geregeld benadrukt dat hij en wij niet weten en kunnen navoelen wat er is gebeurd, tovert hij toch taferelen van vrieskou, onbestendigheid en verlatenheid te voorschijn waar je als lezer ijskoud van wordt. Maar tegelijk ook taferelen vol ultieme ijsschittering en sublieme schoonheid, die voor westerse beschaafde burgers volkomen onvoorstelbaar zijn. Ransmayrs stijl is kortom weer formidabel en meeslepend. Vooral daardoor neemt hij de lezer ook helemaal mee in dit onmogelijke avontuur.

En vooral dankzij die stijl maakt hij, bij benadering, iets onvoorstelbaars voelbaar: dat Weyprecht, een van de poolreizigers die de onmogelijke expeditie na veel ontberingen ternauwernood en ook maar voor even heeft overleefd, helemaal niks heeft met de "beschaafde wereld" waarin hij is teruggekeerd. Sterker nog: hij "verlangt terug naar het ijs, om daar ver van de wetten van de promotie het meetbare te meten en het onmetelijke meetbaar te maken". Alsof dat ijs, waarin hij jaren vastgevroren heeft gezeten en bizarre ontberingen heeft geleden, door zijn onmetelijkheid en onontgonnen sublieme pracht toch een soort oneindige verlokking voor hem blijft houden. Alsof ook de woestenij, de chaotische onbestendigheid, het voortdurende duister, de voortdurende dreiging om met schip en al te worden doodgedrukt door het onvoorspelbaar kruiende ijs, en de absolute onherbergzaamheid, hem toch blijven verlokken als ultiem avontuur. Een verlokking die ook Mazzini heeft gevoeld, wat hem vermoedelijk zijn leven kostte. En ook een verlokking die de ik- verteller herkent en ervaart, al houdt hij het bij reconstructies via zijn creatieve fantasie en gaat hij niet, zoals Mazzini, zelf de dodelijke poolgebieden in. "Josef Mazzini reisde vaak alleen en veel te voet. Wanneer hij liep werd de wereld voor hem niet kleiner, maar steeds groter, zo groot, dat hij er ten slotte in verdween", zegt de verteller al vroeg in het boek. Iets daarvoor sprak hij over onze trektochten "door grasland, winderige verlaten streken en over gletsjers, oceanen en ook door wolkenbanken heen, naar steeds verderafgelegen, innerlijke en uiterlijke doelen". Waaraan hij later toevoegt: "Onze luchtvaartmaatschappijen hebben uiteindelijk alleen de reistijd in absurde mate verkort, maar ook de afstanden, die nog altijd enorm zijn. Laten we niet vergeten dat lijnvluchten niet meer dan een lijn zijn en geen weg en dat wij, fysionomisch beschouwd, nog altijd voetgangers, lopers zijn". Niet voor niets vermoedt de verteller dat Mazzini zelf ooit als een voetganger boven de Noordelijke ijsgebieden vloog: "Nog terwijl hij zich aan boord van het vliegtuig bevindt probeert Josef Mazzini - zo vliegt een voetganger- BENEDEN te blijven: hij tooit de vlakke reliëfs van de landstreken die in de schaarse openingen van het wolkendek verschijnen met details en herinneringen aan vroegere reizen en begint […] een vaag gesprek over de in wolken gehulde landschappen".

Mazzini, zo vermoedt de verteller, is ook als passagier in het vliegtuig een voetganger , omdat hij niet gedachteloos van A naar B vliegt maar zich met maximale aandacht verdiept in de onbekende wereld die zich, deels onzichtbaar, onder hem ontvouwt. En omdat hij de eindeloze afstanden niet achteloos met het vliegtuig wil overbruggen, maar tot in het diepst van zijn wezen wil ondergaan. Zelf is de verteller denk ik ook zo'n voetganger, of wil hij dat zijn, zij het dan vooral via zijn verbeeldingskracht. En dat verlangen is volgens mij erg intens: Weyprecht wil weer verdwijnen in het ijs, Mazzini verdween in de wereld, en ook de verteller lijkt te willen verdwijnen in de onmetelijke onbekende werelden die hij zich verbeeldt. In elk geval wil hij blijven wonen in alle aantekeningen en steeds veranderende reconstructies die hij van al deze barre poolavonturen heeft gemaakt.

Onmogelijke reizen, naar verafgelegen innerlijke en uiterlijke doelen, dat is wat de ik- verteller fascineert. Waarbij zijn eigen reis vooral een innerlijke reis is, namelijk een poging om zich met alle kracht van zijn breidelloze verbeelding te verplaatsen in de woestenij van het ooit nog niet bereisbare Noordpoolgebied. Gevoed door de fascinatie voor het onbekende, de nog witte plekken op de kaart, de nog te ontdekken gebieden in de buitenwereld en de binnenwereld. Die fascinatie, dat is volgens mij de kern van "De verschrikkingen van het ijs en de duisternis". En die fascinatie wordt ook voor de lezer heel overtuigend voelbaar gemaakt, dankzij de formidabele stijl en de erg vernuftige structuur van dit boek.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur