Lezersrecensie

Vreemde roman in vliegende regelval


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
28 apr 2022

De roman "De vliegende berg" (2007) van de Oostenrijkse maestro Christoph Ransmayr, heeft een op zijn minst opmerkelijke opening: "Ik stierf/ 6840 meter boven de zeespiegel/ op de vierde mei van het jaar van het paard. // De plaats van mijn dood/ was de voet van een bevroren rotsnaald/ waar ik in de luwte de nacht had overleefd.". Later in deze roman blijkt de ik- figuur wel bijna maar niet helemaal te zijn gestorven: wel gestorven is zijn broer, bij de beklimming van de nooit eerder beklommen Tibetaanse Phur- Ri, de "vliegende berg". En dat alles wordt ons verteld in vrije regelval, of- zoals Ransmayr het liever noemt- "vliegende regelval": een vorm die vooral doet denken aan poëzie, zij het poëzie die niet rijmt en die vrije, onverwachte ritmes volgt. Misschien om te benadrukken dat het verhaal te ongewoon is om in conventioneel proza te passen, en te ongrijpbaar om zich te lenen voor de gebonden stijl (met rijm en vaste ritmes) van diverse meer traditionele dichters. Of misschien om ons te herinneren aan de niet heel prozaïsche regelval van het epos of van oude mythen.

Vrij vroeg in dit epos vertelt de ik figuur over "[...] een hunkering/ die me met veel, over drie continenten/ verspreide emigranten van onze familie/ en ook met mijn broer verbond:// een hunkering naar iets/ dat hij in zijn brieven/ als een ONBEWEEGLIJKE PLEK onder een / ONBEWEEGLIJKE HEMEL opriep.// Natuurlijk wisten we stiekem beiden/ dat zo'n plek niet kon bestaan,/ nooit, nergens,/ maar zelfs wanneer hij me Horse Island/ na een van zijn nachten achter de telescoop/beschreef als een door westenwinden/ en op- en ondergaande sterrenbeelden/ omwerveld tapijt/ dat een elliptische baan rond de zon trok// dook op het eind van dat soort fantasieën/ uitgerekend dat met ruïnes bezaaide eiland/ altijd weer als een toevluchtsoord op/ uit de Atlantische Oceaan bij Dunlough,/ een ombruiste geborgenheid,/ ontrukt aan de tijd/ en even ver weg en onverstoorbaar als een utopie". En een aantal bladzijden later filosofeert hij: "Misschien hebben we inderdaad/ een onstilbare behoefte/ om zelfs in encyclopedisch vastgelegde gebieden/ op zoek te gaan naar wat onbekend en onbetreden is,/ nog niet door sporen en namen beschadigd- / naar die volmaakte witte vlek, die we dan met een beeld van onze dagdromen/ kunnen inkleuren". Dat dus is wat de ik- figuur deelt met zijn oudere broer Liam, en ook met zijn gestorven vader : een verlangen naar onontgonnen gebieden, naar witte vlekken op de kaart, naar regio's in de fysieke werkelijkheid en in het eigen hoofd die nog onontdekt en onbeschreven zijn. Vrije, vliegende gebieden, die ongrijpbaar zijn voor onze conventies. Regionen en ervaringshorizonten dus die misschien niet eens bestaan, vermoedelijk zelfs niet eens kunnen bestaan, maar die beide broers enorm verlokken juist door hun ongrijpbaarheid. Alsof het onvoorstelbare en onbestaande voor hen altijd intrigerender en rijker is dan het tastbare en werkelijke, en alsof het onmogelijke intensere verlangens en ervaringen oproept dan het voorstelbare en mogelijke.

Dit verlangen naar het onmogelijke en onvoorstelbare maakt Ransmayr mooi voelbaar, door zijn pakkende en suggestieve gebruik van de vrije regelval en door zijn vaak treffende beeldspraak. En precies dit verlangen verlokt beide broers om naar Tibet af te reizen en daar, geholpen door Tibetaanse nomaden, op zoek te gaan naar de vrijwel onbekende en nooit eerder beklommen "vliegende berg" . Volgens Tibetaanse legenden kan die berg, deze Phur- Ri, inderdaad vliegen, al was het maar om ons eraan te herinneren dat zelfs een onwrikbaar lijkende berg ooit zal opstijgen in de leegte. Bovendien zijn alle Tibetaanse bergen, althans volgens de nomaden, "luchtige paviljoenen" waar de goden en beschermgeesten wonen. En hun toppen herbergen dan het Onvoorstelbaar Goddelijke, maar staan ook op de rand van het nog onvoorstelbaardere Niets. Uiteraard fascineert dat alles de ik- figuur zeer. Bovendien is de bergtop van de Phur- Ri steeds op fascinerende en tantaliserende wijze verhuld en terugwijkend, door het steeds veranderende spel van wolken en licht dat die top omvademt. Ook voor de ik- figuur is de Phur- Ri dus een berg die vliegt. Of in elk geval een subliem fenomeen, grootser dan gedacht en aanschouwd kan worden, een fenomeen bovendien dat soms op sensationele wijze alle grenzen van tijd en ruimte overstijgt. Hetgeen dan vooral indringend naar voren komt tijdens de even fatale als hallucinante beklimming van die "vliegende berg", en in de tastende en omcirkelende wijze waarop de ik- figuur daar later aan terugdenkt.

Ransmayr is in "De vliegende berg" vaak heel goed op dreef, vooral in passages waarin hij sublieme ervaringen evoceert of het verlangen naar die sublieme, alle conventies ontstijgende ervaringen. Dat kan hij als weinig anderen. Minder geslaagd vind ik echter dat hij in dit boek werkelijk alles met alles wil verknopen. De liefde van de ik- figuur voor de Tibetaanse Nyema vind ik bijvoorbeeld best ontroerend, zeker in de passages waarin zijn luisterend oor en haar vertellende stem bijna mystiek met elkaar versmelten, maar het verveelde mij dat die liefde zo vaak wordt verknoopt met herinneringen aan zijn weggelopen moeder. Interessant vond ik de vrijheidsdrang van de Ierse ik- figuur en Liam, en vooral van hun Iers-patriottische vader, maar het verveelde mij om zo veel associaties te zien tussen de Engelsen (die de Ieren onderdrukten) en de Chinezen (die de Tibetanen onderdrukken). Ik vind het best mooi dat de ik- figuur de Tibetaanse tijdsrekening overneemt, en de climax van zijn leven dus situeert in "het jaar van het paard" , maar dat het geïsoleerde eiland waarop Liam en hij een tijd wonen dan ook nog eens "Horse Island" heet ..... nee, dat ligt er voor mij te dik bovenop. Mooi vind ik hoe de aanblik en de beklimming van de "vliegende berg" ook een geestelijke en filosofische ontdekkingsreis inhouden, zodanig dat de ik- figuur de tijd niet langer als lineair opvat maar als cyclisch, zodat hij op de bergtop tegelijk ook de zee uit zijn vaderland ervaart en in het hier en nu tegelijk ook zijn verleden voelt stromen. Maar dat gebeurt mij te vaak en te nadrukkelijk, soms ook op naar mijn smaak te sentimentele wijze. Te veel nadrukkelijkheid kortom, te veel sentimentaliteit soms ook: dat bederft voor mij deze roman in verzen, hoe fraai hij soms ook is.

Ik vond "De vliegende berg" dus lang niet zo imponerend als andere Ransmayr- romans. Vooral "De laatste wereld", "Morbus Kitahara" en "Cox, of het verglijden van de tijd" zijn naar mijn idee echt een paar klassen sterker. Maar ook dit boek bevat een aantal fraaie passages, over het verlangen naar oningevulde en ongrijpbare witte plekken, en over sublieme ervaringen. Dus ik ben wel wat teleurgesteld omdat Ransmayr naar mijn idee beter kan, maar ik ben zeker niet ontevreden.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur